ECLI:NL:RBMNE:2021:1625
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing naturalisatieverzoek wegens bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd
Eiser, van Albanese nationaliteit, diende op 26 februari 2019 een verzoek om naturalisatie in. Verweerder wees dit verzoek af omdat er bedenkingen bestonden tegen het verblijf van eiser voor onbepaalde tijd. Dit volgde uit de intrekking van zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht en de afwijzing van zijn aanvraag voor duurzaam verblijf.
Eiser stelde dat zijn verblijfsrecht ten onrechte was ingetrokken en dat verweerder de uitkomst van de verblijfsrechtelijke procedures had moeten afwachten voordat hij op het naturalisatieverzoek besliste. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder bevoegd was om te beslissen zonder de uitkomst van de verblijfsrechtelijke procedures af te wachten, mede gelet op de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Verder concludeerde de rechtbank dat het evenredigheidsbeginsel en artikel 41 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet waren geschonden omdat het naturalisatieproces een nationaalrechtelijke procedure betreft en het Unierecht niet werd toegepast.
De rechtbank stelde vast dat de intrekking van de verblijfsvergunning en de afwijzing van het duurzaam verblijf voldoende grond zijn voor bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt ongegrond verklaard vanwege bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd.