ECLI:NL:RVS:2016:1032
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing naturalisatieverzoek wegens intrekking verblijfsvergunning
Appellant verzocht om naturalisatie tot Nederlander, maar dit verzoek werd door de staatssecretaris afgewezen omdat tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd bedenkingen bestonden, aangezien zijn verblijfsvergunning asiel was ingetrokken. Het verzoek tot medenaturalisatie van zijn minderjarige kinderen werd eveneens afgewezen.
Appellant stelde dat de minister onzorgvuldig had gehandeld door niet te wachten op de uitkomst van de verblijfsrechtelijke procedure en dat de procedure te lang had geduurd, in strijd met artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde echter dat het niet verplicht was te wachten op de definitieve verblijfsrechtelijke beslissing en dat de overschrijding van de beslistermijn een termijn van orde betrof zonder gevolgen.
Ook voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met de belangen van zijn kinderen, maar deze waren ten tijde van het besluit meerderjarig, zodat medenaturalisatie niet aan de orde was.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt bevestigd.