Verzoekers vroegen op 18 maart 2020 om een tijdelijke maatwerkvoorziening op grond van artikel 2.3.3 van de Wmo, omdat zij per 1 april 2020 hun huidige woning moesten verlaten. Het college van burgemeester en wethouders van Soest (verweerder) besloot pas op 6 april 2020 dat verzoekers in aanmerking kwamen voor noodopvang en stelde een vakantiewoning beschikbaar.
Verzoekers startten op 1 april 2020 een beroep wegens het niet tijdig beslissen door verweerder en vroegen tevens een voorlopige voorziening aan om dakloosheid te voorkomen. Na intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening en beroep vroeg verzoekers alsnog een proceskostenvergoeding, omdat zij kosten hadden gemaakt door het instellen van de procedures.
De rechtbank oordeelde dat verweerder op het moment van het instellen van het beroep al in gebreke was, omdat een termijn van twee weken voor het onverwijld beslissen op een tijdelijke maatwerkvoorziening redelijk is. Daarom stond het beroep open en was er aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van € 1.068 aan proceskosten en € 96 aan griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter C. Karman op 29 april 2021.