Opposante heeft beroep ingesteld tegen een uitspraak van de heffingsambtenaar inzake WOZ-waarde, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet volledig was betaald. Opposante ging hiertegen in verzet en voerde aan dat sprake was van een invoerfout, betalingsonmacht en onjuiste tenaamstelling van de griffierechtnota.
De rechtbank oordeelde dat de gemachtigde van opposante tijdig een betalingsherinnering had ontvangen en dat slechts een deelbetaling was gedaan, wat niet volstond. De griffierechtnota was correct aan de gemachtigde gericht, en het is diens verantwoordelijkheid om voor volledige betaling te zorgen. Het beroep op betalingsonmacht werd te laat ingebracht en kon daarom niet worden gehonoreerd.
Verder stelde de rechtbank vast dat de splitsingsbrief correct was verzonden en dat het ontbreken daarvan opposante niet in haar belangen schaadde. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat het beroep niet-ontvankelijk was verklaard en de termijn niet was overschreden.
Het verzet werd ongegrond verklaard, waardoor de eerdere niet-ontvankelijkverklaring in stand bleef. De uitspraak werd gedaan door rechter M.C. Verra op 7 april 2021.