ECLI:NL:HR:2016:2723

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2016
Publicatiedatum
1 december 2016
Zaaknummer
16/02541
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 lid 6 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:73 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand · 66 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet tijdig betalen griffierecht en afwijzing vergoeding immateriële schade

Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant die haar beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht in een belastingzaak over personenauto's en motorrijwielen.

De Hoge Raad beoordeelde twee middelen: ten eerste dat de rechtbank had moeten onderzoeken of belanghebbende niet in verzuim was met het griffierecht, en ten tweede dat de rechtbank ten onrechte niet had beslist op het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Hoge Raad verwierp het eerste middel omdat belanghebbende niet had gesteld dat zij niet in verzuim was. Het tweede middel faalde omdat de rechtbank terecht geen beslissing nam op het verzoek om vergoeding immateriële schade, aangezien het beroep niet-ontvankelijk was verklaard en er geen sprake was van een procedure die langer dan anderhalf jaar had geduurd.

De Hoge Raad oordeelde dat de niet-ontvankelijkverklaring betekent dat het bestuursorgaan niet meer aan het oordeel van de rechter wordt onderworpen en dat er geen grond was voor vergoeding van immateriële schade. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard wegens niet tijdig betalen van griffierecht en afwijzing van vergoeding immateriële schade.

Uitspraak

2 december 2016
nr. 16/02541
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Zeeland-West-Brabantvan 1 april 2016, nr. BRE 15/2601, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
Het door belanghebbende bij de Rechtbank ingestelde beroep is niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het verschuldigde griffierecht niet is betaald binnen de daartoe gestelde termijn. Belanghebbende heeft zowel in het beroepschrift als in het verzetschrift verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.2.1.
Middel I houdt in dat de Rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ter zake van het niet (tijdig) betalen van het griffierecht in verzuim is geweest.
2.2.2.
Het middel faalt. Aangezien de Rechtbank, in cassatie onbestreden, heeft geoordeeld dat belanghebbende niet heeft gesteld dat zij niet in verzuim is geweest, was de Rechtbank niet gehouden een onderzoek als hiervoor bedoeld in te stellen.
2.3.1.
Middel II betoogt dat de Rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op het door belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.3.2.
Kennelijk heeft de Rechtbank tot uitgangspunt genomen dat de niet-ontvankelijkverklaring van belanghebbende in haar beroep vanwege het niet betalen van griffierecht meebrengt dat ook geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan ten aanzien van het in het middel bedoelde verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn op de voet van artikel 8:73 Awb Pro (tekst tot 1 juli 2013; hierna: artikel 8:73 Awb Pro). Dat uitgangspunt is in zijn algemeenheid juist.
Dat is slechts anders in het – zich in deze zaak niet voordoende - geval waarin de rechtbank uitspraak doet nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar zijn verstreken (zie HR 4 maart 2016, nr. 15/02922, ECLI:NL:HR:2016:352, BNB 2016/141). Indien de rechtbank op de voet van artikel 8:54 Awb Pro na vereenvoudigde behandeling uitspraak heeft gedaan en daartegen verzet is gedaan als bedoeld in artikel 8:55 Awb Pro, eindigt deze termijn met de uitspraak waarbij het verzet ongegrond is verklaard.
2.3.3.
In het hiervoor in 2.3.2, laatste alinea, bedoelde uitzonderingsgeval zal de rechtbank een beslissing moeten nemen op het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat de redelijke termijn is overschreden indien meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de inspecteur. De vergoeding zal in dat geval alleen toegekend kunnen worden voor immateriële schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn voor zover toe te rekenen aan de procedure voor de rechtbank. De niet-ontvankelijkverklaring van de belanghebbende in diens beroep brengt mee dat het optreden van het bestuursorgaan in zoverre niet meer aan het oordeel van de rechter is onderworpen.
2.3.4.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen, faalt middel II eveneens.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2016.