Opposante heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 10 juli 2020 waarin haar beroepschrift niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet volledig betalen van het griffierecht. De rechtbank heeft beoordeeld of de eerdere beslissing terecht was en of er redenen waren om het verzet gegrond te verklaren.
De rechtbank oordeelt dat opposante en haar gemachtigde voldoende in kennis zijn gesteld over de betalingsverplichting en dat de gedeeltelijke betaling van € 3,45 niet voldoet aan de volledige griffierechtschuld. De stelling dat een invoer- of typefout tot de deelbetaling heeft geleid, komt voor risico van opposante. Ook het beroep op betalingsonmacht, dat pas in de verzetprocedure werd aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.
Verder is vastgesteld dat de griffierechtnota correct is geadresseerd aan de gemachtigde en dat de splitsingsbrief, hoewel mogelijk onvolledig, geen nadeel voor opposante oplevert. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de termijn tussen het indienen van het beroep en de uitspraak in verzet minder dan anderhalf jaar bedroeg.
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en bevestigt daarmee de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. De uitspraak is gedaan door rechter M.C. Verra op 7 april 2021.