Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 11 mei 2021 in de zaken tussen
Stichting Sociaal en Werkgelegenheidsfonds Timmerindustrie, te Bussum, eiseres
de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
“Employability Timmerindustrie”, projectnummer 2009ESFN478Op 31 maart 2009 heeft eiseres deze subsidie aangevraagd. Bij besluit van 21 juli 2009 heeft verweerder een subsidie verleend van € 2.016.650 voor de periode 1 april 2009 tot 31 maart 2010.
Bij besluit van 21 september 2013 heeft verweerder de subsidie vastgesteld op € 606.400.
“Slimmer produceren”, projectnummer 2010ESFN489Op 26 februari en 31 maart 2010 heeft eiseres deze subsidie aangevraagd. Bij besluit van 10 mei 2010 heeft verweerder een subsidie verleend van € 2.229.740 voor de periode van 1 april 2010 tot 15 augustus 2011.
“De Extra Mijl”, projectnummer 2011ESFN578Op 18 april 2011 heeft eiseres deze subsidie aangevraagd. Bij besluit van 4 mei 2011 heeft verweerder een subsidie verleend van € 2.561.980 voor de periode van 1 april 2011 tot 17 augustus 2012.
De besluiten van verweerder tot vaststelling van de subsidies
- het bestaan van de door eiseres genoemde verschillende niveaus per soort praktijkopleiding is niet vastgesteld kunnen worden, waardoor het een bevinding blijft dat dezelfde praktijkopleidingen meerdere keren per deelnemer zijn gedeclareerd;
- er is op factuurbasis en niet op basis van de werkelijke kosten gedeclareerd, wat wel had gemoeten gezien de omstandigheid dat het feitelijk intern verzorgde opleidingen betreft;
- er is een belangrijke mate van overlap geconstateerd tussen de praktijkopleidingen en de BBL-opleiding én er is sprake van dubbelingen met andere ESF-projecten van een andere aanvrager.
Alle beroepszaken
Daarbij stelt de rechtbank vast dat het in het geval van het project “Employability Timmerindustrie” gaat om een herziene vaststelling van de subsidie en dat het in zo’n geval op de weg van verweerder ligt om aannemelijk te maken dat de eerdere subsidievaststelling onjuist was en eiseres dit wist of behoorde te weten.
Verweerder heeft er verder op gewezen dat de praktijkopleidingen zijn voorzien van één daaraan gerelateerd crebo-nummer, behorend bij één niveau BBL-opleiding. Ook uit een door eisers ingebrachte brief van 11 december 2007 van de Stichting Hout en Meubel (SH&M) aan Houtcirkel blijkt dat SH&M de praktijkopleidingen aan slechts één niveau BBL-opleiding koppelt. Ook heeft verweerder erop gewezen dat het gelet op de totaal beschikbare tijd die een BBL-leerling heeft, theoretisch al onmogelijk is om naast de BBL-opleiding zoveel verschillende praktijkopleidingen te volgen. Verweerder heeft daartoe verwezen naar enkele overeenkomsten beroepspraktijkvorming. Hieruit blijkt dat het aantal uren beroepspraktijkvorming ongeveer 3000 uren in twee jaar bedraagt. Eiseres heeft aangevoerd dat de uren die op de beroepspraktijkovereenkomsten staan vermeld het maximumaantal uren zijn, waarvan mag worden afgeweken door de onderwijsinstelling, en dat de werkelijke studiebelasting in de praktijk vaak minder was.
Zij heeft dit echter op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de rechtbank ook aan deze stelling voorbij gaat.
Declaratie op factuurbasis
Beroepszaak UTR 19/2708 – “De Extra Mijl”Overlap tussen praktijkopleidingen en BBL-opleiding
Eiseres heeft in dit verband aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte onderwijskundige stellingnamen permitteert. Verweerder is immers een leek op het gebied van het mbo en het onderwijs in de timmerindustrie. Alleen de onderwijsinstelling en de Inspectie van onderwijs zijn bevoegd om inhoudelijk te oordelen over de opleidingen, zoals ook blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2017. [2] Uit een overzicht dat is opgesteld door onderwijskundigen van eiseres blijken volgens eiseres de verschillen tussen de twee opleidingen. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat er woordelijk een grote overlap bestaat tussen de beschreven aan te leren vakvaardigheden van de BBL-opleiding en van de praktijkopleidingen van Houtcirkel. Om dit te kunnen constateren is het niet nodig om onderwijskundige te zijn. Het had op de weg van eiseres gelegen om haar stelling te onderbouwen dat ondanks de nagenoeg gelijke bewoordingen in de beschrijvingen van de opleidingen, er tóch geen sprake is van overlap. Het door eiseres aangehaalde overzicht van de onderwijskundigen is van haarzelf afkomstig. Daaraan kan om die reden niet de waarde worden toegekend die eiseres daaraan toegekend wil zien. Tot slot acht de rechtbank van belang dat de hiervoor onder rechtsoverweging 10 genoemde getuigen uitdrukkelijk hebben verklaard dat de praktijkopleidingen werden uitgevoerd als onderdeel van de BBL-opleiding. Al deze omstandigheden in samenhang bezien hebben verweerder terecht tot de conclusie geleid dat sprake is van overlap tussen de praktijkopleidingen en de BBL-opleiding. Daarbij is verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op hetgeen eiseres hierover in de bezwaarfase naar voren heeft gebracht om deze conclusie te bestrijden.
Beroepszaak UTR 19/2706 – “Employability Timmerindustrie”Beroep op vertrouwensbeginsel en controle door Auditdienst Rijk
Alle beroepszakenTussenconclusie
De toegepaste korting van 25% per onregelmatigheid
Eindconclusie
Beslissing
Rechtsmiddel
Van bewijsstukken wordt het originele stuk, dan wel een voor authentiek gewaarmerkte versie van het originele stuk, bewaard volgens de in Bijlage 3 vastgestelde procedure.
Indien de Europese Commissie, vanwege een gerechtelijke vervolging of een met redenen omkleed verzoek de bewaartermijn schorst, maakt de minister de gevolgen voor de bewaartermijn, bedoeld in dit lid, in de Staatscourant bekend.