Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het verloop van de procedure
2.De verdere beoordeling van het incident
3.De beslissing in het incident
;
Rechtbank Midden-Nederland
In deze civiele zaak tussen een besloten vennootschap ([partij I]) en haar ex-werkneemster ([partij II]) staat de vraag centraal of conservatoire beslagen die [partij I] op de bankrekening en woning van [partij II] heeft gelegd, gerechtvaardigd zijn. [partij I] stelt dat [partij II] het geheimhoudingsbeding uit de arbeidsovereenkomst heeft geschonden door executoriaal derdenbeslag te leggen onder twee klanten van [partij I], waarbij vertrouwelijke bedrijfsgegevens zouden zijn geopenbaard.
De kantonrechter overweegt dat het geheimhoudingsbeding niet strekt tot het verbod om via gemachtigde en deurwaarder beslag te leggen, aangezien deze handelen als vertegenwoordigers van [partij II]. Ook is het gegeven dat genoemde klanten cliënt zijn van [partij I] niet nieuw en valt dit niet onder het beding. De openbaarmaking van een beschikking waarin beschuldigingen tussen partijen worden genoemd, valt buiten de werkingssfeer van het beding.
Daarom is geen sprake van schending van het geheimhoudingsbeding en ontbreekt een toereikende grondslag voor de conservatoire beslagen. De kantonrechter beveelt opheffing van de beslagen binnen 24 uur en veroordeelt [partij I] tot het informeren van ING Bank om het gesepareerde bedrag vrij te geven. Tevens wordt een dwangsom opgelegd bij niet-naleving en worden de proceskosten aan de zijde van [partij II] toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de conservatoire beslagen wegens geen schending van het geheimhoudingsbeding.