In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om een bestuurlijke boete van €3.000,- en een last onder dwangsom opgelegd aan eiser en medeeigenaar wegens het zonder vergunning omzetten van een zelfstandige woning in onzelfstandige woonruimte. De overtreding bestond uit verhuur aan vier personen zonder duurzame relatie die voorzieningen deelden, wat in strijd is met de Huisvestingswet en Huisvestingsverordening.
Eiser betoogt dat hij niet als overtreder kan worden aangemerkt omdat hij niet wist en niet kon weten van de overtreding. Hij had een professionele makelaar ingeschakeld die een huurder had gevonden die het pand met zijn gezin zou bewonen. De rechtbank stelt vast dat eiser zich redelijkerwijs heeft geïnformeerd en dat hij de huurovereenkomst met de natuurlijke persoon heeft gesloten, niet met de onderneming die het pand onderverhuurde.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het onrechtmatige gebruik van het pand, mede vanwege de korte periode tussen het sluiten van het huurcontract en de controle. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Verweerder wordt opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.