Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres
[derde belanghebbende], te [woonplaats] , hierna: de werkneemster.
Rechtbank Midden-Nederland
De werkneemster was aanvankelijk werkzaam bij eiseres en meldde zich op 30 december 2013 ziek. Na afloop van haar tijdelijke contract ontving zij een Ziektewet-uitkering en later een WAZO-uitkering. Op 9 mei 2016 bereikte zij het einde van de wachttijd. In 2017 meldde zij zich opnieuw arbeidsongeschikt en vroeg op 19 maart 2019 een WIA-uitkering aan. Verweerder kende haar een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 39,82%, later verhoogd naar 53,47% na bezwaar.
Eiseres stelde dat de werkneemster per 12 juni 2017 recht had op een WIA-uitkering op grond van artikel 55 van Pro de Wet WIA, omdat er sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid voortvloeiend uit dezelfde oorzaak als de eerdere uitval. Verweerder betoogde dat er sprake was van een nieuwe ziekteoorzaak, waardoor de wachttijd opnieuw moest worden doorlopen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende had bewezen dat de klachten per 12 juni 2017 anders waren dan bij de eerdere arbeidsongeschiktheid. Jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de bewijslast ligt bij degene die stelt dat er geen verband is tussen eerdere en latere arbeidsongeschiktheid. De rechtbank concludeerde dat artikel 55 Wet Pro WIA niet van toepassing is en dat de werkneemster pas per 10 juni 2019 recht heeft op een WIA-uitkering. Het beroep van eiseres is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot toekenning van de WIA-uitkering is ongegrond verklaard.