Eiser, bewoner van het achterhuis van een gesplitst monumentaal pand, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort om intrekking van terrasvergunningen die aan de bewoner van het voorhuis waren verleend. Eiser stelde dat het gebruik van het dakterras gevaarlijk was vanwege onvoldoende draagkracht van de constructie. Verweerder weigerde de vergunningen in te trekken omdat eiser niet meewerkte aan een onderzoek naar de constructie, waardoor niet kon worden vastgesteld of intrekking gerechtvaardigd was.
De rechtbank stelt vast dat de terrasvergunningen onherroepelijk zijn en dat verweerder bevoegd is tot intrekking op grond van artikel 5.19, eerste lid, onder a van de Wabo, indien de vergunning onjuist of onvolledig is verleend. Echter, verweerder kon niet vaststellen of dit het geval was vanwege het ontbreken van medewerking van eiser voor een feitelijk onderzoek.
Eiser voerde aan dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel handelde door het onderzoek niet af te ronden en dat het herstelplan van derde-partij op onjuiste aannames was gebaseerd. De rechtbank oordeelt dat het herstelplan niet onderdeel uitmaakt van de motivering van verweerder en dat het advies van de deskundige van eiser onvoldoende is om het standpunt van verweerder te weerleggen.
De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft geweigerd de vergunningen in te trekken en dat het beroep ongegrond is. Tevens overweegt de rechtbank dat zelfs bij intrekking eiser niet bereikt wat hij wil, omdat het gebruik van het dak als dakterras op grond van de erfdienstbaarheid en het bestemmingsplan is toegestaan.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter V.E.H.G. Visser op 11 juni 2021.