ECLI:NL:RVS:2019:1156
Raad van State
- Hoger beroep
- D.J.C. van den Broek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bouwvergunning wegens onjuiste opgave sloop bedrijfswoning
Het college van burgemeester en wethouders van Asten trok bij besluit van 4 oktober 2017 de bouwvergunning van 23 september 2008 in, omdat de vergunning was verleend op basis van de onjuiste opgave dat de bestaande bedrijfswoning op het perceel zou worden gesloopt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond. Appellant stelde dat hij niet had vermeld dat de bedrijfswoning zou worden gesloopt en dat het college niet bevoegd was tot intrekking. De Raad van State overwoog dat uit het akoestisch rapport, de correspondentie en de bouwtekeningen duidelijk bleek dat sloop van de bestaande woning uitgangspunt was. Het college mocht daarom de vergunning intrekken op grond van artikel 5.19 Wabo.
Appellant voerde ook een beroep op het vertrouwensbeginsel aan, stellende dat het college de aanwezigheid van de tweede woning jarenlang had gedoogd en dat beide woningen een eigen huisnummer en OZB-betaling hadden. De Raad van State oordeelde dat geen sprake was van concrete, ondubbelzinnige toezeggingen die een gerechtvaardigd vertrouwen konden wekken dat de vergunning niet zou worden ingetrokken. De rechtbank had terecht geoordeeld dat het college redelijk had gehandeld en appellant meerdere kansen had geboden om de situatie te herstellen.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bouwvergunning wordt bevestigd omdat de vergunning was verleend op basis van een onjuiste opgave over de sloop van de bestaande bedrijfswoning.