ECLI:NL:RBMNE:2021:2600

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juni 2021
Publicatiedatum
18 juni 2021
Zaaknummer
523209 / HA RK 21-139
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verschoning
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:19 AwbArt. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot verschoning van bestuursrechter wegens persoonlijke betrokkenheid bij kinderdagverblijf

De verschoningskamer van de Rechtbank Midden-Nederland ontving op 14 juni 2021 een verzoek tot verschoning van mr. L.A. Banga, bestuursrechter en voorzitter van de meervoudige kamer die de hoofdzaak behandelt. De hoofdzaak betreft een boeteoplegging aan een kinderdagverblijfketen wegens overtredingen bij een vestiging waar de kinderen van verzoekster werden opgevangen.

Verzoekster stelt dat zij zich vanwege deze persoonlijke betrokkenheid en het feit dat een medewerkster van het kinderdagverblijf ook op haar kinderen heeft gepast, niet vrij voelt om de hoofdzaak te behandelen. De verschoningskamer toetst het verzoek aan artikel 8:19 jo Pro. 8:15 Awb en het beginsel van rechterlijke onpartijdigheid.

De kamer oordeelt dat er sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid, mede vanwege de schijn van vooringenomenheid. Daarom wordt het verzoek tot verschoning gegrond verklaard. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2021. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de bestuursrechter wordt gegrond verklaard vanwege de schijn van partijdigheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

VERSCHONINGSKAMER
Zaaknummer/rekestnummer: 523209 / HA RK 21-139
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van verschoningszaken
van 15 juni 2021
op het verzoek in de zin van artikel 8:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (verder:Awb) van:
mr. L.A. Banga,
bestuursrechter,
(verder te noemen: verzoekster)

1.De procedure

1.1.
De verschoningskamer heeft op 14 juni 2021 het verzoek tot verschoning ontvangen. Dit verzoek is ingediend in de zaken met het zaak- en rolnummer UTR 20/2891 en UTR 20/3236 met [naam] B.V. als eiseres en de gemeente Utrecht als verwerende partij (hierna: de hoofdzaak). Er heeft geen mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden.
1.2.
De uitspraak is bepaald voor vandaag.

2.Het verschoningsverzoek

2.1.
Verzoekster heeft het volgende ten grondslag gelegd aan haar verschoningsverzoek. Op de zitting van de meervoudige kamer van 22 juni 2021, worden bovengenoemde zaken behandeld. Verzoekster is voorzitter van die meervoudige kamer. Het gaat om een besluit tot boeteoplegging aan kinderdagverblijfketen [naam] B.V. In de zaak met zaaknummer UTR 20/2891 betreft het een boete die is opgelegd vanwege overtredingen bij de vestiging van [naam] aan het [adres] te [adres] . De gestelde overtredingen waarop de boete mede is gebaseerd hebben plaatsgevonden in de periode dat de kinderen van verzoekster op die betreffende vestiging van [naam] werden opgevangen. Daarnaast heeft een medewerkster van de betreffende vestiging nadat verzoekster is verhuisd, nog thuis op haar kinderen gepast. Verzoekster acht zich vanwege deze omstandigheden niet vrij de hoofdzaak verder te behandelen. Omdat beide zaken gevoegd worden behandeld, strekt het verschoningsverzoek zich mede uit over de andere zaak.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 8:19 jo Pro artikel 8:15 Awb Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen een verzoek tot verschoning in kan dienen op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Verschoning is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Voorop dient te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees dat daarvan sprake is objectief gerechtvaardigd is.
3.3.
Van de schijn van partijdigheid kan, geheel los van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn wanneer bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in dat specifieke geval aan onpartijdigheid ontbreekt. In dat geval dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden. Rechtzoekenden moeten namelijk vertrouwen kunnen stellen in het rechterlijk apparaat. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn van partijdigheid of vooringenomenheid.
3.4.
Uit het verzoek van verzoekster blijkt dat er sprake van zodanige omstandigheden dat zij zich niet meer voldoende vrij voelt om in de hoofdzaak op treden dan wel te beslissen. De verschoningskamer ziet hierin, in aanmerking genomen de motivering van het verzoek, een genoegzame grond voor verschoning. Verzoekster heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de schijn kan bestaan dat het haar aan onpartijdigheid zal ontbreken. Het verzoek zal daarom gegrond worden verklaard.

4.De beslissing

De verschoningskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot verschoning gegrond;
4.2.
draagt de griffier van de verschoningskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de betrokken partijen in de hoofdzaak, alsmede aan de teamvoorzitter van verzoekster en de president van deze rechtbank.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, en mr. R.M. Berendsen en
mr. A. van Dijk, als leden van de verschoningskamer, bijgestaan door mr. C.E.M. Roeleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2021.
de griffier de voorzitter
is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.