ECLI:NL:RBMNE:2021:2635

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 juni 2021
Publicatiedatum
21 juni 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2805
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet langdurige zorgAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond op terugwerkende toekenning persoonsgebonden budget Wet langdurige zorg

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Zilveren Kruis Zorgkantoor om met terugwerkende kracht een persoonsgebonden budget (pgb) toe te kennen aan zijn overleden zoon voor de jaren 2011, 2012 en 2013. Het zorgkantoor stelde het pgb vast op € 57.467,75, gebaseerd op indicaties van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), een zorgbeschrijving en zorgovereenkomsten die achteraf door eiser en de zus van de budgethouder zijn opgesteld.

Eiser betwist de hoogte van het toegekende pgb-bedrag en stelt dat het zorgkantoor onzorgvuldig heeft gehandeld door onvoldoende inzicht te geven in de berekening van het pgb per subsidiejaar. Tevens meent hij dat de in de zorgovereenkomsten afgesproken maandbedragen volledig vergoed hadden moeten worden, wat zou leiden tot een aanzienlijk hoger bedrag dan toegekend.

De rechtbank oordeelt dat het zorgkantoor in deze bijzondere situatie, waarbij indicaties pas na overlijden van de budgethouder zijn verstrekt, voldoende heeft gemotiveerd hoe het pgb-bedrag tot stand is gekomen. De zorgovereenkomsten en zorgbeschrijving vormen een redelijke grondslag voor de vaststelling. De rechtbank wijst erop dat het zorgkantoor niet verplicht is meer pgb toe te kennen dan het vastgestelde budget en dat afspraken tussen zorgverlener en budgethouder over hogere bedragen voor eigen risico zijn.

Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit tot vaststelling van het pgb wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/2805

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. R. Kaya),
en

Zilveren Kruis Zorgkantoor, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Uwamahoro).

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de zoon van eiser, [zoon], met terugwerkende kracht een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) over de subsidiejaren 2011, 2012 en 2013 tot een bedrag van € 57.467,75.
Bij besluit van 18 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2021 via Skype. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
[zoon] (hierna: budgethouder) is op [2013] overleden.
1.2.
Eiser en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) zijn op de zitting van 11 oktober 2018 van de rechtbank Noord-Nederland tot een schikking zijn gekomen dat met terugwerkende kracht de volgende indicaties zullen worden toegekend aan budgethouder:
- PV [1] 3 zal worden voortgezet na 13 december 2011 tot en met september 2012;
- PV 4 zal worden ingezet vanaf april 2013 tot 1 augustus 2013.
1.3.
Op 14 januari 2019 heeft verweerder een gesprek met eiser gevoerd om samen tot een oplossing te komen over het pgb. In dit gesprek is besproken dat eiser geen pgb-administratie kan overleggen. Met eiser is daarom afgesproken dat hij achteraf opgestelde zorgovereenkomsten met zorgverlener [eiser] (eiser) en met zorgverlener [zus] (zus van budgethouder) en een zorgbeschrijving aanlevert.
1.4.
Eiser heeft de gevraagde zorgbeschrijving en zorgovereenkomsten overgelegd. De zorgovereenkomsten zijn op 6 februari 2019 ondertekend door eiser en door de zus van budgethouder. In deze zorgovereenkomsten staat dat met eiser een maandloon van € 6.240,- is afgesproken en met de zus van budgethouder een maandloon van € 3.466,-.
1.5.
Verweerder heeft vervolgens het pgb over de jaren 2011, 2012 en 2013 vastgesteld op een totaalbedrag van € 57.467,75.
Standpunt verweerder
2. In het bestreden besluit handhaaft verweerder het vastgestelde pgb. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet meer pgb kan worden verstrekt dan is vastgesteld op basis van de indicaties van het zorgkantoor, de zorgbeschrijving en de zorgovereenkomsten. Wanneer zorgverlener en budgethouder een hoger bedrag aan pgb afspreken dan het vastgestelde budget, komt dat voor eigen risico. Verweerder kan niet meer pgb verstrekken dan is vastgesteld.
Standpunt eiser
3. Eiser is het niet eens met het vastgestelde pgb-bedrag. Hij stelt zich op het standpunt dat
het bestreden besluit onzorgvuldig is, omdat niet duidelijk is hoe verweerder het pgb per subsidiejaar heeft vastgesteld. Volgens eiser kloppen de bedragen niet. Hij mocht ervan uitgaan dat het pgb in de jaren 2011, 2012 en 2013 overeenkomstig de
zorgovereenkomst zou worden uitbetaald. De zorgovereenkomsten zijn op verzoek van verweerder achteraf opgesteld en verweerder heeft na ontvangst daarvan niets van zich laten horen. Het totaalbedrag van beide zorgverleners komt op grond van de zorgovereenkomsten neer op € 252.356,-. Dit is het bedrag dat verweerder moest vergoeden.
Oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank stelt voorop dat sprake is van een bijzondere situatie, aangezien de indicaties door het CIZ na het overlijden de budgethouder zijn verstrekt. Doordat de indicaties achteraf zijn afgegeven is het pgb achteraf toegekend. Gelet op deze bijzondere situatie heeft verweerder, zonder te beschikken over een (volledige) pgb-administratie, de verantwoording van de zorg goedgekeurd op basis van de overgelegde zorgovereenkomsten.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de zorg is verleend en dat de zorg intensief is geweest. Partijen zijn verdeeld over de hoogte van het toegekende pgb voor de verleende zorg.
6. Anders dan eiser, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende heeft toegelicht hoe het pgb- bedrag per subsidiejaar tot stand is gekomen. Daarbij is van belang dat verweerder terecht is uitgegaan van de indicaties van het CIZ, de zorgbeschrijving en de zorgovereenkomsten. Eiser heeft de vaststelling van het pgb niet gemotiveerd betwist. De enkele opmerking van eiser dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe het pgb-bedrag per subsidiejaar tot stand is gekomen en dat de bedragen niet kloppen, kan niet leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit onzorgvuldig is.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende inzicht gegeven in hoe het toegekende pgb van € 57.467,75 tot stand is gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.
7. De rechtbank is verder van oordeel dat de stelling van eiser dat hij ervan uit mocht gaan dat de in de zorgovereenkomst afgesproken maandbedragen zouden worden vergoed, geen doel treft. Dat verweerder geen opmerkingen heeft geplaatst over de in de zorgovereenkomsten afgesproken bedragen, maakt niet dat daarmee de bedragen akkoord waren bevonden door verweerder. Daar komt bij dat verweerder niet meer pgb kan verstrekken dan is toegekend.
Afspraken in een zorgovereenkomst omtrent de vergoeding van zorg zijn afspraken die tussen partijen van kracht zijn. Indien het maximale toegekend budget wordt overschreden door in een zorgovereenkomst een hoger pgb af te spreken, komt dat voor eigen rekening en risico.
Conclusie
8. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Gena, griffier. De beslissing is uitgesproken op 17 juni 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Persoonlijke Verzorging