Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
ECLI:NL:GHARL:2013:5644).
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil over de opzegging van een mondeling gesloten huurovereenkomst van een perceel op een camping, waarop een chalet staat dat permanent wordt bewoond door de huurder en zijn zoon.
De verhuurder had de huurovereenkomst opgezegd omdat de huurder het nieuwe schriftelijke huurcontract niet wilde tekenen. De verhuurder stelde dat de wettelijke huurbescherming niet van toepassing is omdat het perceel geen woonruimte betreft, en dat geen zwaarwegend belang vereist is voor opzegging.
De huurder voerde aan dat de wettelijke huurbescherming bij woonruimte analoog moet worden toegepast vanwege permanente bewoning en dat de opzegging onredelijk is omdat de verhuurder geen zwaarwegend belang heeft en geen schadevergoeding heeft aangeboden.
De rechtbank oordeelt dat de wettelijke huurbescherming niet van toepassing is omdat het perceel onbebouwd onroerend goed betreft en het chalet eigendom is van de huurder. De opzegging moet daarom worden getoetst aan redelijkheid en billijkheid en het vereiste van een zwaarwegend belang.
De verhuurder kon geen zwaarwegend belang aantonen; haar belangen waren vooral financieel van aard en onvoldoende zwaarwegend om de opzegging te rechtvaardigen. Het woonbelang van de huurder en zijn zoon weegt zwaarder. De opzegging is daarom niet rechtsgeldig en de huurovereenkomst duurt voort. De vorderingen van de verhuurder worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De opzegging van de huurovereenkomst is niet rechtsgeldig verklaard en de huurovereenkomst duurt voort.