ECLI:NL:RBMNE:2021:2728

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 juni 2021
Publicatiedatum
28 juni 2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 1589
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bij aanvraag bijstand wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft een aanvraag om bijstand ingediend die door het college van burgemeester en wethouders van Almere is afgewezen omdat het zwaartepunt van zijn maatschappelijke leven zich niet in zijn woonplaats bevond.

Verzoeker stelde een spoedeisend belang te hebben vanwege betalingsachterstanden en het beëindigen van zijn telefoonabonnement, maar kon niet concreet aantonen dat dit op korte termijn tot ernstige gevolgen zou leiden. Bovendien had hij vanaf 1 juni 2021 weer een baan en inkomen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig was. Verweerder had de afwijzing deugdelijk onderbouwd met verklaringen van verzoeker en waarnemingen dat hij nauwelijks in zijn woonplaats verbleef.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en het bezwaar van verzoeker werd als kansloos beoordeeld. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en gegrondheid van het bestreden besluit.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/1589
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J.L. Wittensleger),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, Dienst Sociaal Domein, verweerder
(gemachtigde: P.J.M. Hendriks).

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om bijstand op grond van de Participatiewet afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2021 via een Skype beeld- en geluidverbinding. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
2. Verzoeker stelt dat hij een spoedeisend belang heeft, omdat hij onvoldoende middelen heeft om in noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Hij heeft een huurachterstand en een achterstand met de betaling van zijn ziektekostenverzekering. Verder is zijn telefoonabonnement beëindigd als gevolg van een betalingsachterstand.
3. De voorzieningenrechter oordeelt dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat sprake is van een (voldoende) spoedeisend belang om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft niet concreet aangetoond dat de betalingsachterstanden op korte termijn bijvoorbeeld tot de beëindiging van de huurovereenkomst of de ziektekostenverzekering zullen leiden. Dat het telefoonabonnement van verzoeker inmiddels wel is beëindigd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dermate nijpend. Verzoeker heeft dan ook geen omstandigheden gesteld die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigen. De voorzieningenrechter weegt verder mee dat verzoeker vanaf 1 juni 2021 weer een baan en dus inkomen heeft.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
4. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het primaire besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven.
De voorzieningenrechter beoordeelt in deze zaak de periode vanaf de datum waarop verzoeker zich bij verweerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum waarop verweerder hierover een besluit heeft genomen. Het gaat dus om de periode van
11 maart 2021 tot en met 14 april 202.
5. Verweerder heeft -kort gezegd- de aanvraag om bijstand afgewezen, omdat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het zwaartepunt van zijn maatschappelijke leven zich in [woonplaats] bevindt. Verzoeker betwist dit standpunt.
6. Bij een aanvraag om bijstand moet de aanvrager in principe aantonen dat hij de uitkering nodig heeft. Daarbij is ook van belang waar iemand woont. Eiser moet hier duidelijkheid over verschaffen en vervolgens kan verweerder dat controleren. De hoogste rechter heeft bepaald dat voor het antwoord op de vraag waar iemand woont, bepalend is de plaats waar hij werkelijk woont en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt. [1]
7. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder deugdelijk onderbouwd aangevoerd dat het zwaartepunt van het maatschappelijke leven van verzoeker zich in de beoordelingsperiode niet in [woonplaats] bevond. Hiertoe heeft verweerder mogen aanvoeren dat verzoeker tijdens het gesprek van 23 maart 2021 heeft verklaard dat hij veel in [woonplaats] is, omdat zijn moeder en zijn ex-partner met hun vier kinderen daar wonen. In het gesprek op 8 april 2021 heeft hij onder meer verklaard dat hij sinds maart 2021 in [woonplaats] heeft verbleven om voor zijn moeder te zorgen. Hij heeft verklaard dat hij misschien vijf dagen in [woonplaats] heeft geslapen. De rest van de tijd verbleef hij bij zijn moeder in [woonplaats] . Hij heeft ook verklaard dat hij de komende drie maanden nog wel bij zijn moeder zal verblijven, daarna zal het iets minder worden en zal hij er nog drie tot vier keer per week zijn. Op de vraag van verweerder vanaf wanneer hij bij zijn moeder woont, heeft verzoeker geantwoord dat hij daar al vanaf september of oktober was. In reactie op de constatering van verweerder dat er in de periode december 2020 tot half maart 2021 van verzoeker maar drie pintransacties in [woonplaats] zijn geweest, heeft verzoeker geantwoord dat hij nooit in [woonplaats] was. Pas ter zitting heeft verzoeker deze verklaringen aangepast. De voorzieningenrechter ziet hierin geen aanleiding om van die verklaringen ter zitting uit te gaan. De voorzieningenrechter houdt de verklaringen die verzoeker tegenover verweerder heeft afgelegd dan ook voor juist. Verder heeft verweerder mogen aanvoeren dat hij in de periode van 26 maart 2021 tot 2 april 2021 waarnemingen heeft gedaan bij de woning van verzoeker. In die periode is de auto van verzoeker ’s ochtends noch ’s avonds bij zijn woning in [woonplaats] aangetroffen. Dit is een extra indicatie dat verzoeker daar niet of nauwelijks verbleef.
8. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op grond van het vorenstaande de aanvraag om bijstand terecht afgewezen
.Het bezwaarschrift heeft geen redelijke kans van slagen. De conclusie is dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 23 juni 2021 door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Beijl, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier is niet in de gelegenheidvoorzieningenrechter
om deze uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:612).