ECLI:NL:RBMNE:2021:2765

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 juni 2021
Publicatiedatum
29 juni 2021
Zaaknummer
UTR - 21 _ 1103
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20, eerste lid, Awir
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening zorgtoeslag en kindgebonden budget 2018 wegens nieuw inkomensgegeven

Eiser ontving in 2018 voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget. De Belastingdienst stelde deze toeslagen definitief vast en herzag deze later meerdere malen. In het primaire besluit van 31 december 2020 werd het bedrag definitief vastgesteld en een terugvordering opgelegd. Eiser betoogde dat de herziening onterecht was omdat er geen nieuwe feiten waren en verweerder onzorgvuldig had gehandeld door niet uit te gaan van de ingediende aangifte inkomstenbelasting.

Verweerder stelde dat hij pas op 4 november 2020 bekend werd met het Niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi) en wereldvermogen van de toeslagpartner, wat nog niet was meegenomen in eerdere berekeningen. De rechtbank oordeelde dat de herziening terecht was omdat de Awir bepaalt dat bij nieuwe inkomensgegevens de toeslagen kunnen worden herzien.

De rechtbank volgde de vaste rechtspraak dat de Belastingdienst het door de inspecteur vastgestelde verzamelinkomen moet volgen. De inkomensgegevens werden op 7 oktober 2020 en 4 november 2020 aangepast, wat leidde tot herzieningen van de toeslagen. De rechtbank vond geen aanwijzingen voor onzorgvuldig handelen of onbehoorlijk bestuur door verweerder en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de herziening van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2018.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/1103

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: J.L. Horst),
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. H.A. Siertsema).

Procesverloop

In het besluit van 31 december 2020 (primair besluit) heeft verweerder de definitief berekende zorgtoeslag en kindgebonden budget over 2018 herzien en vastgesteld op € 594,- respectievelijk € 1.573,- en daarbij € 190,- teruggevorderd.
In het besluit van 8 maart 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2021 via Skype. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft in 2018 voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget ontvangen. Verweerder heeft zijn recht op zorgtoeslag en kindgebonden budget voor dat jaar bij besluit van 11 oktober 2019 definitief berekend en vastgesteld op € 701,- respectievelijk € 1.681,-. Bij besluit van 13 november 2020 heeft verweerder dit besluit herzien en de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2018 vastgesteld op € 685,- respectievelijk € 1.664,-.
2. Bij het primaire besluit, gehandhaafd in bezwaar, heeft verweerder de definitieve berekeningen zorgtoeslag en kindgebonden budget over het jaar 2018 herzien en vastgesteld op € 594,- respectievelijk € 1.573,- en daarbij in totaal € 190,- teruggevorderd.
3. In geschil is of verweerder de definitieve berekeningen van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2018 nogmaals heeft mogen herzien.
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte het kindgebonden budget en de zorgtoeslag van eiser opnieuw heeft herzien, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten die hiertoe aanleiding geven. Met het definitief worden van de aangifte inkomstenbelasting op 6 augustus 2020 waren alle gegevens bij verweerder al bekend. Verweerder had gebruik moeten maken van de in het basisregistratie inkomen (BRI) bekende inkomen van eiser en zijn toeslagpartner volgens de ingediende aangifte inkomstenbelasting 2018. Als verweerder dit had gedaan en dus juist had gehandeld dan had verweerder het inkomen van eiser moeten vaststellen op in totaal € 25.096,- en het inkomen van de echtgenote op € 1.474,-, aldus eiser. Er is sprake van onzorgvuldig handelen, onbehoorlijk bestuur en daardoor een onrechtmatige daad.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de definitieve berekeningen van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2018 nogmaals heeft mogen herzien. Verweerder is pas op 4 november 2020 met het Niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi) en wereldvermogen van de toeslagpartner van eiser bekend geworden en deze wijziging was nog niet meegenomen, omdat wijzigingen die binnenkomen na 15 oktober 2020 definitief beschikt worden op 31 december 2020.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de definitieve berekeningen van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2018 nogmaals heeft herzien. In de Algemene wet inkomensafhankelijke regeling (Awir) is bepaald dat indien na de toekenning van de tegemoetkoming uit een eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging van een inkomensgegeven of niet in Nederland belastbaar inkomen blijkt dat de tegemoetkoming tot een te hoog of te laat bedrag is toegekend, de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming met inachtneming van die eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging herziet. [1] Verweerder is op 4 november 2020 bekend geworden met het NiNbi en wereldvermogen van de toeslagpartner van eiser en verweerder is naar aanleiding van die melding terecht tot herziening overgegaan. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter is verweerder verplicht het door de inspecteur vastgestelde verzamelinkomen te volgen. [2] Verweerder past inkomensgegevens aan naar aanleiding van een door inspecteur gedane melding. Op 7 oktober 2020 ontvangt verweerder van de inspecteur het NiNbi van eiser, dit is vastgesteld op € 265,-. Op basis van het nieuwe gezamenlijk toetsingsinkomen van
€ 25.096,- is de zorgtoeslag herzien naar € 685,- en het kindgebonden budget naar € 1664,-. Het gezamenlijk toetsingsinkomen wordt daarna nog een keer aangepast door de melding op 4 november 2020 over het NiNbi van de toeslagpartner van eiser. Dit is vastgesteld op
€ 1.474,-. Op basis van het nieuwe gezamenlijk toetsingsinkomen van € 26.570,- is de zorgtoeslag herzien naar € 594,- en het kindgebonden budget naar
€ 1.573,-. Omdat verweerder niet eerder bekend was met deze inkomensgegevens volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld of zich schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier. De beslissing is uitgesproken op 14 juni 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 20, eerste lid, van de Awir.
2.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1048.