ECLI:NL:RBMNE:2021:2954
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen korting WW-uitkering september 2019
Eiser ontving vanaf 2 september 2019 een WW-uitkering. Verweerder bracht in september 2019 een bedrag van €631,37 in mindering op deze uitkering vanwege inkomsten die eiser had ontvangen. Eiser betwistte deze korting omdat hij in september niet had gewerkt en dus geen inkomsten had. De rechtbank oordeelde dat het inkomen over het aangiftetijdvak van vier weken, dat eindigde op 8 september 2019, volgens het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) moet worden toegerekend aan september 2019, ongeacht wanneer feitelijk is gewerkt.
Verweerder bracht slechts een vierde van het inkomen in mindering, wat neerkomt op het loon van circa één week, waardoor eiser niet benadeeld werd. De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende concrete argumenten had aangevoerd om te bewijzen dat de korting onjuist was of tot een kennelijk onredelijk resultaat leidde. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
De uitspraak werd gedaan door rechter J. Wolbrink op 28 april 2021, na een zitting waarbij eiser niet was verschenen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen de korting op de WW-uitkering van september 2019 wordt ongegrond verklaard.