Stichting diende een subsidieaanvraag in voor het Programma Cultuur 2021-2024 bij de gemeente Utrecht, ter waarde van €175.000 per jaar. De gemeente weigerde de subsidie op basis van een advies van de Adviescommissie Cultuurnota 2021-2024, die twijfels had over de artistieke en zakelijke kwaliteit van het beleidsplan.
De stichting voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder onzorgvuldigheid en gebrek aan specifieke expertise van de adviescommissie, schending van het gelijkheidsbeginsel, onvoldoende motivering van het advies en onvoldoende transparantie van de tenderprocedure. De rechtbank oordeelde dat de adviescommissie voldoende kundig en onafhankelijk was en dat het advies ondanks beperkte onderbouwing begrijpelijk was.
De rechtbank stelde echter vast dat het bestuursorgaan niet op alle bezwaargronden voldoende had gereageerd, waardoor het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd was en vernietigd moest worden. De rechtsgevolgen van het besluit bleven echter in stand, omdat de subsidieaanvraag redelijkerwijs kon worden afgewezen.
De rechtbank wees het beroep toe, vernietigde het besluit, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit gehandhaafd blijven. Tevens werd het betaalde griffierecht aan de stichting vergoed en werden proceskosten niet toegewezen.