ECLI:NL:RBMNE:2021:3086
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep en voorlopige voorziening tegen invordering last onder dwangsom wegens bewoning pand
Verzoekster werd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest een last onder dwangsom opgelegd om het gebruik en de bebouwing van een perceel te staken en te verwijderen. Bij niet-naleving verbeurde zij een dwangsom van €100.000. Na constatering dat het pand nog in gebruik was, nam verweerder een invorderingsbesluit. Verzoekster stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het beroep op verjaring niet slaagt, omdat een aanmaning de verjaring stuit en verweerder tijdig een aanmaning heeft verzonden. Verzoekster voerde aan dat zij geen overtreder was omdat zij het recht van opstal had beëindigd en het pand vergunningvrij was, maar deze gronden hadden in een eerdere procedure tegen de last onder dwangsom aan de orde moeten komen.
Verder was het niet evident dat verzoekster geen overtreder was, mede gelet op de inschrijving in de Basisregistratie Personen en de constateringen van de buiteninspecteur. Het beroep op onbillijkheid van overwegende aard faalde omdat verzoekster onvoldoende financiële nood aannemelijk had gemaakt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het invorderingsbesluit wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.