ECLI:NL:RBMNE:2021:3226
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen uitspraak inzake ambtshalve vermindering belasting niet-ontvankelijk verklaard
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het verzet van opposante tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 oktober 2020. In die uitspraak werd het beroep van opposante tegen de ambtshalve vermindering van belasting niet-ontvankelijk verklaard, omdat op grond van artikel 26 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) geen bezwaar of beroep mogelijk is tegen ambtshalve beslissingen.
Opposante stelde dat haar bezwaarschrift tevens moest worden opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering van belasting en verwees naar een eerdere uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Zij betoogde dat de driejaarstermijn voor vermindering niet was verstreken en dat de aanslag pas op het moment van bekendmaking in werking trad, waardoor haar verzoek ontvankelijk zou zijn.
De rechtbank oordeelde echter dat de wettelijke regeling in artikel 26 Awr Pro duidelijk maakt dat tegen ambtshalve beslissingen geen bezwaar of beroep openstaat. De situatie in de door opposante aangehaalde uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam betrof een andere soort zaak met een specifieke wettelijke regeling die hier niet van toepassing is.
Daarom verklaarde de rechtbank het verzet ongegrond en bevestigde zij de eerdere uitspraak dat het beroep tegen de ambtshalve vermindering niet-ontvankelijk is. De uitspraak werd gedaan door rechter R.C. Stijnen op 30 juni 2021 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het verzet van opposante is ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.