ECLI:NL:RBMNE:2021:3248
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling ov-schuld wegens inschrijving BBL-opleiding
Eiseres diende op 9 juli 2020 een aanvraag studiefinanciering in en kreeg aanvankelijk studiefinanciering en het studentenreisproduct toegekend op basis van haar opgave dat zij een BOL-opleiding volgde. Later bleek uit controle dat zij stond ingeschreven voor een BBL-opleiding, die geen recht geeft op studiefinanciering en het studentenreisproduct. Verweerder stelde daarom een ov-schuld van €375,- vast voor de periode augustus tot en met oktober 2020.
Eiseres voerde aan dat zij tijdens een telefoongesprek met een medewerker van verweerder was geadviseerd dat zij recht had op studiefinanciering en het studentenreisproduct, en dat zij daarop gerechtvaardigd mocht vertrouwen. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van de inschrijving bij de onderwijsinstelling en dat eiseres geen concrete toezegging of ondubbelzinnige uitlating had aangetoond waaruit gerechtvaardigd vertrouwen kon worden afgeleid.
Verder wees de rechtbank het beroep op artikel 3.27, zevende lid, van de Wet studiefinanciering 2000 af, omdat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat het gebruik van het studentenreisproduct haar niet kon worden toegerekend. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de vaststelling van de ov-schuld wordt ongegrond verklaard.