ECLI:NL:RBMNE:2021:3365
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en proceskostenveroordeling wegens niet verstrekken stukken
Eiser, eigenaar van een tussenwoning, betwistte de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van €257.000,- voor het belastingjaar 2020 en stelde een lagere waarde van €216.000,- voor. Verweerder onderbouwde de vastgestelde waarde met een taxatiematrix waarin vergelijkingswoningen werden betrokken. De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld.
Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met gedateerde voorzieningen en achterstallig onderhoud, maar de rechtbank stelde vast dat deze factoren wel waren meegenomen in de waardering. Daarnaast stelde eiser dat verweerder de indexering van referentiewoningen niet inzichtelijk had gemaakt, maar dit werd door de rechtbank niet onjuist bevonden.
Eiser had ook verzocht om inzage in de grondstaffel en waardebepalende factoren, welke verweerder niet in de bezwaarfase had verstrekt. De rechtbank oordeelde dat verweerder deze gegevens op verzoek had moeten overleggen en dat het niet tijdig verstrekken hiervan een procesrechtelijk gebrek vormde. Dit gebrek leidde echter niet tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar omdat eiser alsnog in beroep kennis had kunnen nemen van de gegevens.
De rechtbank veroordeelde verweerder daarom wel in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.068,-, en droeg verweerder op het betaalde griffierecht van €48,- te vergoeden. Het beroep werd verder ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten wegens het niet tijdig verstrekken van gevraagde stukken.