ECLI:NL:RBMNE:2021:3366
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning ongegrond, proceskostenveroordeling
De zaak betreft een beroep van een eigenaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in een woonplaats, vastgesteld op €445.000,- voor het belastingjaar 2020. De eigenaar stelde dat de waarde te hoog was en bepleitte een lagere waarde van €410.000,-. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en onderbouwde dit met een taxatiematrix waarin vergelijkingswoningen werden betrokken.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De taxatiematrix en toelichting toonden een zorgvuldige waardebepaling met inachtneming van verschillen in gebruiksoppervlakte, perceelgrootte en ligging. De door eiser aangevoerde bezwaren, zoals onvoldoende rekening houden met gedateerde voorzieningen en geluidsoverlast door ligging, werden door de rechtbank niet gevolgd.
Eiser had verzocht om inzage in de grondstaffel en waardebepalende factoren die ten grondslag lagen aan de waardebepaling, maar deze waren niet tijdig verstrekt. De rechtbank stelde dat deze gegevens op verzoek verstrekt hadden moeten worden conform artikel 40 van Pro de Wet WOZ. Hoewel dit niet tijdig gebeurde, was eiser alsnog in beroep in staat deze gegevens in te zien en te betwisten, waardoor het gebrek niet leidde tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar.
Wel veroordeelde de rechtbank de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht vanwege het niet tijdig verstrekken van de gevraagde stukken. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard, maar met een proceskostenveroordeling ten laste van de heffingsambtenaar.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, met proceskostenveroordeling van de heffingsambtenaar.