ECLI:NL:RBMNE:2021:3379

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 april 2021
Publicatiedatum
22 juli 2021
Zaaknummer
UTR 20/2982
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet openbaarheid van bestuurAdvocatenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wob-verzoek inzake documenten onder Advocatenwet vanwege bijzondere openbaarmakingsregeling

Eiser heeft bij verweerder een Wob-verzoek ingediend om documenten openbaar te maken die verband houden met een beëdigingsverzoek en het toezicht op advocaten. Verweerder wees dit verzoek af omdat de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) niet van toepassing is op documenten die onder een bijzondere en uitputtende regeling vallen, zoals die in de Advocatenwet.

Eiser voerde aan dat de gevraagde documenten niet uitsluitend tuchtrechtelijk van aard zijn en dat de Advocatenwet geen bijzondere openbaarmakingsregeling bevat voor beëdigingsverzoeken. De rechtbank oordeelt echter dat de Advocatenwet een bijzondere regeling vormt die het toezicht op advocaten regelt, inclusief beëdigingsverzoeken, en dat deze regeling uitputtend is, waardoor de Wob niet van toepassing is.

De rechtbank volgt de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en bevestigt dat het verzoek betrekking heeft op documenten die onder het toezicht van de Advocatenwet vallen. Daarom is het beroep van eiser ongegrond verklaard en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het Wob-verzoek is ongegrond verklaard omdat de gevraagde documenten onder de bijzondere en uitputtende regeling van de Advocatenwet vallen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/2982

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Hoogendoorn),
en

De Raad van Orde van Advocaten Midden-Nederland, verweerder

(gemachtigden: mr. G.J. Verduijn en mr. F.M. Haarmans).

Procesverloop

In het besluit van 13 januari 2020 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.
In het besluit van 3 juli 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2021 via een Skype-beeldverbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De feiten
1. Op 18 november 2019 heeft eiser een Wob-verzoek ingediend bij verweerder om bepaalde stukken en informatie openbaar te maken. Dit verzoek houdt verband met het voornemen van verweerder tot afwijzing van een ingediend verzoek tot goedkeuring stage en beoogd patroon (beëdigingsverzoek) met betrekking tot het kantoor van eiser.
Het bestreden besluit
2. Verweerder heeft het verzoek van eiser afgewezen, omdat de Wob niet van toepassing is op de door eiser gevraagde documenten. De Wob dient als openbaarmakingsregeling namelijk te wijken voor bijzondere regelingen, indien deze zijn neergelegd in een formele wet en indien de bijzondere regeling bovendien uitputtend van aard is. Het in de Advocatenwet geregelde toezicht op advocaten en het tuchtrechtelijke systeem is een dergelijke bijzondere regeling. De door eiser gevraagde documenten hebben betrekking op het in de Advocatenwet geregelde toezicht en daarom is de Wob op deze documenten niet van toepassing. Verweerder verwijst daarbij naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) [1] . Informatie over het aantal beëdigingen per jaar zijn verder openbaar gemaakt in de jaarverslagen van de Orde van Advocaten Midden-Nederland.
Het standpunt van eiser
3. Eiser voert aan dat de door hem gevraagde documenten niet, althans niet geheel, onder het bijzondere openbaarmakingsregeling valt, zoals bedoeld in de door verweerder genoemde rechtspraak van de ABRvS. Eiser heeft, anders dan verweerder stelt, niet gevraagd om tuchtrechtelijk relevante documenten, maar om documenten die – grotendeels – is uitgewisseld buiten het kader van een klacht en (mede) in verband met een beëdigingsverzoek. Volgens eiser bevat de Advocatenwet hiervoor geen bijzonder openbaarmakings- of geheimhoudingsregime. Een (beslissing op een) beëdigingsverzoek is geen tuchtrechtelijke maatregel, alleen al omdat het tuchtrechtelijke toezicht pas begint vanaf de beëdiging. Eiser stelt dat wanneer een deel van de documenten na het verzoek wellicht van belang is geworden voor tuchtklachten tussen dezelfde partijen het voorgaande niet anders maakt.
Het oordeel van de rechtbank
4. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS wijkt de Wob als algemene openbaarmakingsregeling voor bijzondere regelingen, indien deze zijn neergelegd in een formele wet en indien de bijzondere regeling bovendien uitputtend van aard is. Dat laatste is het geval indien de regeling ertoe strekt te voorkomen dat door toepassing van de Wob afbreuk zou worden gedaan aan de goede werking van de materiële bepalingen in de bijzondere wet. Het in de Advocatenwet geregelde toezicht op advocaten, het tuchtrechtelijke systeem en de wijze van geheimhouding en openbaarmaking van tuchtrechtelijke maatregelen is van dien aard dat het dient te worden aangemerkt als een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter, waarmee openbaarmaking van documenten die daarop betrekking hebben via de Wob niet verenigbaar is. [2]
5. De rechtbank volgt de lezing van verweerder dat de rechtspraak geen steun biedt voor de opvatting van eiser dat de Advocatenwet alleen als bijzondere regeling ten opzichte van de Wob heeft te gelden als het gaat om tuchtrechtelijke regels. De bijzondere regeling heeft naar vaste rechtspraak van de ABRvS betrekking op het in de Advocatenwet geregelde toezicht wat meer omvat dan alleen deze tuchtrechtelijke regels. De ABRvS heeft ook geoordeeld dat de regeling in de Advocatenwet een bijzondere regeling is met een uitputtend karakter. Eiser vraagt om openbaarmaking van documenten die betrekking hebben op (goedkeuring) van (een specifiek) beëdigingsverzoek(en) van advoca(a)t(en) betrekking hebbend op zijn kantoor en in zijn algemeenheid over nader genoemde periodes. Verweerder heeft terecht het standpunt ingenomen dat het hier gaat om documenten die hij onder zich heeft uit hoofde van het in de Advocatenwet geregelde toezicht op advocaten. De verzoeken tot inschrijving en beëdiging als advocaat en het verzoek tot goedkeuring stage en patroon, vallen onder het wettelijk geregelde toezicht. De Wob is dus niet van toepassing.
Conclusie
6. Verweerder heeft het verzoek van eiser terecht afgewezen.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. E. de Jong, griffier. De beslissing is uitgesproken op 21 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Zie onder meer de uitspraak van de ABRvS van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:186.
2.Zie de uitspraken van de ABRvS van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1970 en van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:186.