ECLI:NL:RBMNE:2021:3562

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2021
Publicatiedatum
29 juli 2021
Zaaknummer
21_789
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen beëindiging WIA-uitkering wegens geen toegenomen arbeidsongeschiktheid

Eiser, voormalig projectmanager, meldde zich in 2008 ziek vanwege psychische klachten en ontving vanaf 2015 een WIA-uitkering. Na een heronderzoek in 2018 werd vastgesteld dat eiser 32,93% arbeidsongeschikt was, waarna de uitkering werd beëindigd. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het besluit van 13 januari 2021 dat het bezwaar ongegrond verklaarde.

De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht en dat eiser geen gebruik wenste te maken van een hoorzitting, wat door verweerder schriftelijk werd bevestigd. De stelling van eiser dat er sprake zou zijn van toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak werd niet onderbouwd met medische gegevens, terwijl hiervoor voldoende gelegenheid was.

Verweerder baseerde het besluit op medische en arbeidskundige rapportages waaruit bleek dat geen sprake was van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekte binnen vijf jaar. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/789

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

25 juni 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. H.G.J. Ligtenberg),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: L. Reijnen en R. Boonstra).

Procesverloop

In het besluit van 17 juni 2020 (primair besluit) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat eiser per 13 april 2019 geen uitkering op grond van Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) krijgt.
In het besluit van 13 januari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Voorgeschiedenis
1. Eiser heeft voor het laatst gewerkt als projectmanager bij [bedrijf] . Hij heeft zich op 18 mei 2008 ziek gemeld in verband met psychische klachten. Verweerder heeft hem per
7 juli 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend die per 7 mei 2016 is omgezet in een vervolguitkering. Het bezwaar dat eiser hiertegen heeft ingediend is ongegrond verklaard. Op 12 juli 2018 heeft op verzoek van eiser een verzekeringsgeneeskundig heronderzoek in het kader van de Wet WIA plaatsgevonden. Op grond hiervan heeft de arbeidsdeskundige eiser 32,93% arbeidsongeschikt geacht. Vervolgens heeft verweerder de WIA-uitkering per 14 oktober 2018 beëindigd.
Op 13 april 2019 heeft eiser een toename van gezondheidsklachten bij verweerder gemeld. Op 16 juni 2020 heeft een sociaal-medische beoordeling plaatsgevonden, waarbij is geconcludeerd dat eiser per 13 april 2019 geen toegenomen beperkingen heeft door dezelfde ziekteoorzaak als waarvoor hij eerder de WIA-uitkering heeft ontvangen.
Vervolgens heeft verweerder het primaire en het bestreden besluit genomen.
Grondslag van het bestreden besluit
2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser per
13 april 2019 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid vanwege dezelfde ziekte als bij de eerdere
WIA-beoordeling binnen vijf jaar. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op medische en arbeidskundige rapportages.
Hoorplicht
3. Eiser voert aan dat het onderzoek niet zorgvuldig is verricht, omdat eiser in bezwaar niet is gehoord.
4. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. Vast staat dat eiser telefonisch aan verweerder heeft laten weten dat hij geen gebruik wenst te maken van een hoorzitting. Verweerder heeft in een brief aan eiser van 14 september 2020 bevestigd dat eiser geen hoorzitting wenste. Eiser heeft richting verweerder niet op deze brief gereageerd dat dit niet juist was en dat hij toch wel wilde worden gehoord.
Op grond van artikel 7:3, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord. Niettemin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zichzelf nog de vraag gesteld of er een hoorzitting nodig was. Zijn conclusie was dat hij geen dringende redenen had om een persoonlijk contact met eiser te hebben.
De rechtbank ziet verder ook geen aanleiding om te oordelen dat het onderzoek onzorgvuldig is verricht.
Toegenomen klachten door dezelfde ziekteoorzaak?
5. De gemachtigde van eiser voert in beroep voor het eerst op de zitting aan dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid vanwege dezelfde ziekteoorzaak die in het verleden heeft geleid tot toekenning van de WIA-uitkering. De verzekeringsartsen van verweerder hebben echter geconcludeerd dat sprake is van een ander ziekteoorzaak. Het ligt dan op de weg van eiser om zijn standpunt gemotiveerd te bestrijden met medische gegevens. Dat heeft eiser niet gedaan, terwijl hij daarvoor vanaf het indienen van het beroepschrift tot de zitting ruim voldoende gelegenheid heeft gehad.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2021 door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier.
griffier
rechter
de rechter is verhinderd om dit proces-verbaal mede te ondertekenen
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.