ECLI:NL:RBMNE:2021:3593
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing van inburgeringsboete en verblijfsrechtelijke aspecten
Eiser kreeg een bestuurlijke boete van €1250 opgelegd omdat hij niet binnen de gestelde termijn aan zijn inburgeringsplicht had voldaan. Hij stelde dat de boete in strijd was met Unierechtelijke beginselen, artikel 14 EVRM Pro en dat hij op grond van artikel 20 VWEU Pro verblijfsrecht ontleende waardoor hij niet hoefde in te burgeren. Tevens voerde hij aan dat hij ten onrechte niet gehoord was in bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat eiser als gezinslid van een Unieburger niet onder de gezinsherenigingsrichtlijn valt en dat de boete niet disproportioneel is. De Wet inburgering houdt al rekening met leeftijd en opleidingsniveau, en eiser had onvoldoende onderbouwd waarom zijn persoonlijke omstandigheden tot matiging moesten leiden. Ook was geen sprake van ongerechtvaardigde discriminatie op grond van artikel 14 EVRM Pro.
Verder is vastgesteld dat het verblijfsrecht van eiser niet automatisch op grond van artikel 20 VWEU Pro geldt en dat hij zelf een andere verblijfsvergunning had kunnen aanvragen. Het besluit om hem niet te horen in bezwaar was gerechtvaardigd. De rechtbank zag geen reden voor matiging van de boete en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete van €1250 wegens niet tijdig inburgeren is ongegrond verklaard.