ECLI:NL:RBMNE:2021:3676
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over onderzoek EU-verblijfsrecht in naturalisatieprocedure minderjarige
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 19 juli 2021 een tussenuitspraak gedaan in een beroep tegen de afwijzing van een naturalisatieverzoek voor de minderjarige [A]. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had het verzoek afgewezen vanwege een verblijfsgat tussen 6 december 2019 en 21 januari 2020, waardoor niet aan de vereiste onafgebroken verblijfsperiode werd voldaan.
Eiser stelde dat zijn zoon [A] rechtmatig verblijf had op grond van EU-recht, afgeleid van het EU-burgerschap van zijn moeder die de Nederlandse nationaliteit heeft en zich in België had gevestigd. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende onderzoek had gedaan naar het mogelijke EU-verblijfsrecht van [A], ondanks dat dit recht van rechtswege geldt en niet afhankelijk is van het bezit van een EU-verblijfskaart.
De rechtbank draagt de staatssecretaris op binnen zes weken het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door nader onderzoek te verrichten naar het EU-verblijfsrecht van [A]. Tevens moet de staatssecretaris binnen twee weken melden of hij van deze herstelmogelijkheid gebruik maakt. De verdere behandeling van de zaak wordt aangehouden tot de einduitspraak. Deze tussenuitspraak benadrukt het belang van zorgvuldigheid en volledige toetsing van EU-rechten in naturalisatieprocedures.
Uitkomst: De rechtbank draagt de staatssecretaris op binnen zes weken het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door onderzoek naar het EU-verblijfsrecht van de minderjarige.