Eiseres, een bouwbedrijf, maakte bezwaar tegen de WOZ-aanslag voor het belastingjaar 2020 op een bouwterrein van ruim 88.000 m². Zij stelde dat het bouwterrein onjuist als één onroerende zaak was afgebakend en dat het terrein op 1 januari 2020 nog niet in gebruik was genomen, wat zou moeten leiden tot het vervallen van de aanslag.
De rechtbank oordeelde dat het bouwterrein als één onroerende zaak moet worden beschouwd, omdat het geheel is omsloten en geen zelfstandige percelen bevat. Ook werd vastgesteld dat het terrein al in gebruik was genomen, gezien de verleende omgevingsvergunning en de werkzaamheden die in oktober 2019 waren gestart.
Verder stelde eiseres dat delen van het terrein bestemd voor openbare wegen en fietspaden niet in de aanslag mochten worden betrokken. Verweerder had hier al rekening mee gehouden in de waardering. Wel bleek dat de aanslagen watersysteemheffing voor 56 kadastrale percelen onjuist waren vastgesteld en deze moesten worden verminderd met €67,50.
De rechtbank vernietigde daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking had op de watersysteemheffing, bepaalde de vermindering en veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het beroep werd voor het overige ongegrond verklaard.