ECLI:NL:RBMNE:2021:3991

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 augustus 2021
Publicatiedatum
23 augustus 2021
Zaaknummer
UTR 21/2151
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:24 Apv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen dwangsom voor vervoeren inbrekerswerktuig in Utrecht

Eiser werd op 28 mei 2020 in Utrecht staande gehouden met zwarte werkhandschoenen, een grote schroevendraaier, twee zaklampjes en een plastic bakje met schroeven, terwijl hij reed op een gestolen snorfiets met verwijderd contactslot. Verweerder legde op grond van artikel 2:24 van Pro de Apv een dwangsom op wegens het vervoeren van inbrekerswerktuig.

Eiser voerde aan dat de goederen niet bestemd waren voor inbraak, hij niet strafrechtelijk vervolgd was en dat het besluit onevenredig zwaar was, omdat hij graag aan fietsen en bromfietsen sleutelt bij vrienden. Ook stelde hij dat het motiveringsbeginsel was geschonden.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van de bestuurlijke rapportage en dat de goederen onder de gegeven omstandigheden als inbrekerswerktuig konden worden aangemerkt. Het feit dat eiser op een gestolen snorfiets reed en zijn onduidelijke verklaring versterkten dit oordeel. Het besluit was niet in strijd met het evenredigheids- of motiveringsbeginsel. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de dwangsom wegens het vervoeren van inbrekerswerktuig wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2151

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.J. Stronks),
en

de burgemeester van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Ros).

Procesverloop

In het besluit van 2 november 2020 (primair besluit) heeft verweerder eiser gelast om geen inbrekerswerktuigen te (laten) vervoeren of bij hem te (laten) hebben op een openbare plaats in de gemeente Utrecht, onder oplegging van een dwangsom van € 2.500,- per geconstateerde overtreding met een maximum van € 10.000,-.
In het besluit van 14 april 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is op 28 juli 2021 ter zitting aan de orde gesteld. Eiser en zijn gemachtigde hebben vooraf laten weten niet op zitting te zullen verschijnen. Hierop is contact opgenomen met de gemachtigde van verweerder, die heeft aangegeven ook niet te zullen verschijnen als de rechtbank dat niet noodzakelijk achtte. Partijen zijn dan ook niet op zitting verschenen.

Overwegingen

Inleiding
1. Op 28 mei 2020 is eiser in de gemeente Utrecht staande gehouden door de politie. Hij was in het bezit van zwarte werkhandschoenen, een grote schroevendraaier, twee zaklampjes en een plastic bakje met schroeven. Daarnaast reed hij op een gestolen snorfiets waarvan het contactslot volledig was verwijderd.
Op basis van deze omstandigheden heeft verweerder gesteld dat eiser inbrekerswerktuigen vervoerde binnen de gemeente Utrecht, hetgeen een overtreding is van artikel 2:24, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Utrecht 2010 (Apv). Verweerder is in dat geval bevoegd een dwangsom op te leggen, waar hij slechts van afwijkt bij bijzondere omstandigheden. Daar is volgens verweerder geen sprake van. De last houdt in dat eiser
€ 2.500,- moet betalen als hij de last overtreedt, met een maximum van € 10.000,-.
Standpunt eiser
2. Eiser voert aan dat het niet aannemelijk is dat de bij hem aanwezige goederen waren bedoeld voor het plegen van een inbraak. Eiser is niet strafrechtelijk vervolgd naar aanleiding van deze aanhouding. Daarnaast is hij nooit eerder veroordeeld voor het plegen van inbraken. Verder betoogt eiser dat het besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat het besluit onevenredig zwaar voor hem is. Hij sleutelt graag aan fietsen en bromfietsen bij vrienden, wat een prettige afleiding is omdat hij geen werk heeft. Nu is dat niet meer mogelijkheid en zit hij noodgedwongen veel thuis. Tot slot voert eiser aan dat het motiveringsbeginsel is geschonden omdat verweerder in het besluit niet concreet heeft gemotiveerd waarom het in dit specifieke geval noodzakelijk is een dwangsom op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
3. Artikel 2:24, eerste lid, van de Apv bepaalt dat het verboden is op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. Het gaat daarbij om werktuigen die ertoe kunnen dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. In het tweede lid staat dat het eerste lid niet van toepassing is als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de genoemde voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor het verschaffen van de in het eerste lid bedoelde handelingen. Uit de toelichting bij dit artikel volgt dat het niet de bedoeling is dat de verdenking van het bezit van dergelijke voorwerpen lichtvaardig wordt uitgesproken, omdat veel voorwerpen als hulpmiddelen kunnen worden beschouwd.
4. In de bestuurlijke rapportage staat het volgende. Eiser is op 28 mei 2020, omstreeks 20:16 uur, door de politie gecontroleerd als bestuurder van een snorfiets, omdat de politie zag dat het contactslot van de snorfiets volledig verwijderd was. Uit onderzoek kwam vast te staan dat de snorfiets van diefstal afkomstig was, waarop eiser werd aangehouden voor heling. Vervolgens werden in de tas van eiser zwarte werkhandschoenen, een grote schroevendraaier, twee zaklampjes en een plastic bakje met schroeven aangetroffen. Uit de politiepraktijk is bekend dat een schroevendraaier met schroeven kan worden gebruikt voor het onrechtmatig openen of verbreken van sluitingen. Ook is bekend dat handschoenen gebruikt worden om het achterlaten van sporen te voorkomen. Eiser is bij de politie gehoord en heeft verklaard dat de goederen niet bestemd waren voor inbraak. Verder heeft hij verklaard dat hij niet wist dat de snorfiets gestolen was. Hij heeft aan een groepje jongeren op straat gevraagd of ze een snorfiets te koop hadden en kreeg toen deze snorfiets aangeboden. Er zat geen sleutel bij omdat die jongen de sleutel kwijt was. Hij wilde de snorfiets aanbieden aan een vriend van hem. Uit een nader opgestelde bestuurlijke rapportage van 19 juli 2021 volgt nog dat uit de justitiële documentatie van eiser blijkt dat de diefstal/heling en het vervoeren van inbrekerswerktuig nog onder de rechter ligt.
5. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder zijn besluit heeft mogen baseren op de bestuurlijke rapportage. Volgens vaste jurisprudentie mag verweerder immers in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij op basis van tegenbewijs hiervan moet worden afgeweken. [1] Dit geldt ook voor een op ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onder de in de bestuurlijke rapportage weergegeven omstandigheden de werkhandschoenen, schroevendraaier, zaklampjes en schroeven terecht als inbrekerswerktuig heeft aangemerkt. Verweerder heeft hierbij mee mogen wegen dat eiser reed op een gestolen snorfiets, waarbij door het verwijderde contactslot ook te zien was dat deze gestolen was. Ook heeft verweerder hierbij van belang mogen achten dat eiser niet goed heeft kunnen verklaren hoe hij aan deze snorfiets is gekomen. Dat eiser nooit voor inbraken zou zijn veroordeeld maakt niet dat de goederen niet als inbrekerswerktuig kunnen worden aangemerkt. De overige omstandigheden tezamen zijn immers voldoende om aan te nemen dat sprake is van inbrekerswerktuig. Verweerder heeft daarom terecht gesteld dat eiser artikel 2:24 van Pro de Apv heeft overtreden.
7. De rechtbank is verder van oordeel dat het besluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel. De rechtbank overweegt dat vanwege het algemeen belang dat met handhaving is gediend, een bestuursorgaan die bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel ook van deze bevoegdheid gebruik moet maken. [2] Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan hiervan afwijken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat die bijzondere omstandigheden hier niet aanwezig zijn. Dat het voor eiser door de dwangsom moeilijker is om bij zijn vrienden te gaan klussen is hiervoor onvoldoende zwaarwegend. Hierbij overweegt de rechtbank ook dat de dwangsom het klussen bij vrienden niet onmogelijk maakt, omdat ook gereedschap van vrienden kan worden gebruikt. Verder heeft eiser geen andere omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie zouden moeten leiden dat van het opleggen van een dwangsom moet worden afgezien. Daarnaast overweegt de rechtbank dat verweerder zwaar gewicht heeft mogen toekennen aan een veilig woon- en leefklimaat voor de inwoners van de gemeente Utrecht. Dit heeft verweerder zwaarder mogen laten weten dan het belang van eiser. Het besluit is op dit punt ook voldoende gemotiveerd .
Conclusie
8. De rechtbank concludeert dat verweerder een dwangsom aan eiser heeft mogen opleggen. Verweerder heeft immers terecht geoordeeld dat eiser inbrekerswerktuig heeft vervoerd en het opleggen van de dwangsom is niet onevenredig. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 19 augustus 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 21 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3383).
2.ABRvS 24 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:209).