ECLI:NL:RVS:2016:3383
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- T.G.M. Simons
- J. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van sluitingsbesluiten burgemeester Beachclub De Karavaan wegens drugsaanwezigheid
Beachclub De Karavaan werd door de burgemeester voor twee periodes gesloten vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid hard- en softdrugs in de horeca-inrichting. De eerste sluiting betrof een spoedsluiting van veertien dagen, gevolgd door een sluiting van zes maanden. De burgemeester baseerde zijn besluiten op processen-verbaal van de politie waarin meerdere drugsvondsten en gebruik werden vastgesteld.
De rechtbank verklaarde de beroepen van Beachclub De Karavaan ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet en dat persoonlijke verwijtbaarheid niet vereist is. Het beleid, zoals neergelegd in de Toekomstvisie Horeca 2010-2015, voorziet in spoedsluitingen bij ernstige incidenten die de openbare orde en het woon- en leefklimaat aantasten.
De Afdeling verwierp de stelling dat de tweede sluiting een strafsanctie zou zijn, aangezien bestuursdwang gericht is op beëindiging en voorkoming van overtredingen. Ook werd geoordeeld dat de belangenafweging van de burgemeester proportioneel en subsidiariteit in acht nemend was, waarbij rekening werd gehouden met de aard van de overtreding en de inspanningen van Beachclub De Karavaan.
Verder werd het betoog dat het bewijs onrechtmatig was verkregen verworpen, aangezien de processen-verbaal op ambtseed waren opgesteld en de onderzoeksrapporten van het NFI de bevindingen bevestigden. De Afdeling concludeerde dat de burgemeester redelijk en binnen zijn bevoegdheid heeft gehandeld en bevestigde het bestreden vonnis.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de sluitingsbesluiten van de burgemeester en verklaart het hoger beroep ongegrond.