ECLI:NL:RBMNE:2021:4052
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak op bezwaar wegens schending hoorplicht bij WOZ-waardering
In deze bestuursrechtelijke zaak betwist eiser de WOZ-waarden van twee woningen vastgesteld door de heffingsambtenaar van de gemeente. Eiser stelt dat hij ten onrechte niet is gehoord tijdens de bezwaarfase, ondanks zijn verzoek daartoe, waardoor de hoorplicht is geschonden.
De rechtbank oordeelt dat de schending van de hoorplicht terecht is vastgesteld en dat dit niet kan worden genegeerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat er sprake is van een verschil van mening over de feitenwaardering. Hierdoor wordt de uitspraak op bezwaar vernietigd. Vervolgens beoordeelt de rechtbank inhoudelijk de WOZ-waarden aan de hand van de door de heffingsambtenaar overgelegde taxatiematrix en de toelichting van de taxateur.
De rechtbank concludeert dat de taxatiematrix en de gebruikte referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn en dat de waardering niet te hoog is vastgesteld. De door eiser aangevoerde gebreken en verschillen in staat van onderhoud zijn onvoldoende onderbouwd om de waardering aan te passen. De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand en bepaalt dat de heffingsambtenaar het betaalde griffierecht aan eiser moet vergoeden.
Uitkomst: Beroep gegrond verklaard wegens schending hoorplicht, uitspraak op bezwaar vernietigd, WOZ-waarden blijven ongewijzigd.