Opposante heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 juli 2020, waarin haar beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het niet volledig betalen van het griffierecht. De rechtbank heeft in deze verzetprocedure beoordeeld of de eerdere beslissing terecht was dat geen zitting nodig was omdat er geen twijfel over de uitkomst bestond.
Opposante voerde aan dat het griffierecht wel betaald was, maar dat er fouten waren gemaakt bij de adressering van de griffierechtnota en dat sprake was van betalingsonmacht. Tevens stelde zij dat de splitsingsbrief ontbrak en dat bij ambtshalve splitsing slechts eenmaal griffierecht verschuldigd zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de griffierechtnota correct was gericht aan de gemachtigde en dat het de verantwoordelijkheid van de gemachtigde was om voor tijdige betaling te zorgen.
De rechtbank verwierp de stellingen over onjuiste tenaamstelling en onvolledige adressering. Ook het beroep op betalingsonmacht werd niet geaccepteerd omdat dit niet tijdig was ingebracht. Daarnaast werd het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, mede gelet op de coronamaatregelen en de feitelijke duur van de procedure.
De rechtbank concludeerde dat het verzet ongegrond is en dat de eerdere niet-ontvankelijkverklaring van het beroep terecht was. De uitspraak werd bevestigd en openbaar gemaakt.