ECLI:NL:RBMNE:2021:4363
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond: WOZ-waarde woning vastgesteld op €175.000 en aanslag OZB verlaagd
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vaststelling van de WOZ-waarde van een hoekwoning uit 1976 centraal. Verweerder had de waarde voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op €188.000, terwijl eiser een lagere waarde van €161.000 voorstond. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog was, mede omdat de gehanteerde correctie voor achterstallig onderhoud en gedateerde voorzieningen onvoldoende was onderbouwd.
Eiser kon zijn lagere waarde niet voldoende onderbouwen, omdat de gebruikte vergelijkingswoning uit een nalatenschap kwam en mogelijk niet marktconform was verkocht. De rechtbank stelde daarom de waarde schattenderwijs vast op €175.000 en bepaalde dat de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig wordt verlaagd.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan eiser wordt vergoed. Een verzoek tot vergoeding van kadastrale marktinformatie werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. De uitspraak vervangt de vernietigde uitspraak op bezwaar en is openbaar gemaakt op 6 september 2021.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning is vastgesteld op €175.000 en de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig verlaagd.