Art. 3:42 AwbArt. 4 Verordening Parkeerbelastingen 2020 gemeenteArt. 231 lid 2 onder b GemeentewetArt. 234 Gemeentewet
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens onbevoegde uitspraak op bezwaar
Op 14 november 2020 werd een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan de hovenier van eiser vanwege het ontbreken van een geldige kraskaart voor een halfuur parkeren. Eiser betaalde de aanslag en maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van eiser in het bezwaar en concludeerde dat eiser ontvankelijk was omdat hij de aanslag had voldaan.
Vervolgens onderzocht de rechtbank de bevoegdheid van de uitspraak op bezwaar. Deze was gedaan door een medewerker van ParkeerService zonder dat het interne mandaatbesluit was gepubliceerd, waardoor de uitspraak onbevoegd was genomen. De rechtbank vernietigde daarom de uitspraak op bezwaar.
De rechtbank bekeek ook de inhoudelijke grond van de naheffingsaanslag. De aanslag was gebaseerd op een dagtarief, terwijl volgens artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet een naheffing op basis van een parkeerduur van een uur moet worden berekend. Omdat het dagtarief niet herleidbaar was tot een uurtarief, oordeelde de rechtbank dat de naheffingsaanslag in strijd was met de wet en vernietigde deze.
Tot slot vergoedde de rechtbank het betaalde griffierecht aan eiser en wees proceskosten toe. Het geschil werd daarmee definitief beslecht.
Uitkomst: De naheffingsaanslag parkeerbelasting en de uitspraak op bezwaar worden vernietigd vanwege onbevoegdheid en strijd met de Gemeentewet.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4629
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2021 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats] , verweerder
(gemachtigde: B. Westerik).
Procesverloop
Op 14 november 2020 heeft verweerder een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan de hovenier van eiser, vanwege het onbetaald parkeren van zijn auto aan de [straat] in [plaats] .
In de uitspraak op bezwaar van 7 januari 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het beroep is op de zitting van 26 juli 2021 via Skype behandeld. Eiser was daarbij aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Op 14 november 2020 stond de auto van de hovenier van eiser geparkeerd aan de [straat] in [plaats] . Er geldt daar betaald parkeren. Eiser heeft voor zijn hovenier de parkeerbelasting betaald door middel van het zogeheten kraskaartensysteem van de gemeente [plaats] . Voor de periode tussen 13:00 uur en 13:30 uur is eiser vergeten een geldige kraskaart in de auto neer te leggen. Daarom heeft verweerder een naheffingsaanslag opgelegd aan de kentekenhouder van de auto: de hovenier van eiser. Deze naheffingsaanslag bestaat uit € 15,- aan verschuldigde parkeerbelasting en € 53,- aan kosten.
2. Eiser is het niet eens met de naheffingsaanslag.
3. De rechtbank zal in deze zaak eerst uit zichzelf (ambtshalve) twee formele punten moeten beoordelen. Als eerst de vraag of eiser ontvankelijk was in zijn bezwaar. Als tweede de vraag of de uitspraak op bezwaar bevoegd is genomen.
Was eiser ontvankelijk in zijn bezwaar?
4. De vraag is of eiser ontvankelijk was in zijn bezwaar. De primaire naheffingsaanslag is namelijk niet aan hem, maar aan zijn hovenier opgelegd. De belasting is in principe verschuldigd door de kentekenhouder dan wel degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. [1] Dat is de hovenier en niet eiser. De hovenier is in dat geval de belastingplichtige en eiser zou niet-ontvankelijk zijn als hij bezwaar zou maken tegen een naheffingsaanslag opgelegd aan de hovenier. Op grond van de geldende verordening kan echter ook als belastingplichtige worden aangemerkt degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te willen voldoen. [2] Ter zitting is vast komen te staan dat eiser op 10 december 2020 de naheffingsaanslag heeft voldaan. Verweerder heeft dit bevestigd. Dit maakt eiser dan ook ontvankelijk in zijn bezwaar.
Is de uitspraak op bezwaar bevoegd genomen?
5. Op grond van artikel 231, tweede lid, onder b, van de Gemeentewet is de heffingsambtenaar bevoegd op gemeentelijke belastingen, zoals parkeerbelasting, te heffen. Het college van burgemeester en wethouders wijst de heffingsambtenaar aan.
6. De rechtbank stelt vast dat de uitspraak op bezwaar is gedaan namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats] , door een medewerker Centrale Diensten van ParkeerService. De naam van de medewerker staat niet vermeld bij de ondertekening van de uitspraak op bezwaar.
7. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat er een intern mandaatbesluit is waarbij aan de functie medewerker team Centrale Diensten van ParkeerService mandaat is verleend om te beslissen op bezwaarschriften tegen naheffingsaanslagen. Verder heeft verweerder verklaard dat het mandaatbesluit niet is gepubliceerd of op andere wijze naar buiten toe bekend is gemaakt.
8. Omdat dit interne mandaatbesluit niet overeenkomstig artikel 3:42 vanPro de Awb is bekendgemaakt, is het ook niet in werking getreden. De conclusie is daarom dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd is genomen. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van deze rechtbank van 2 juni 2021. [3]
9. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar.
Kan het geschil definitief beslecht worden?
10. De rechtbank heeft de taak om een geschil zo definitief mogelijk te beslechten. Daarom zal zij onderzoeken of dat mogelijk is. De rechtbank zal eerst beoordelen of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van de bestreden uitspraak op bezwaar in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien.
11. Eiser stelt zich op het standpunt dat de € 15,- aan verschuldigde parkeerbelasting te hoog is. Eiser voert aan dat hij zich bij het plaatsen van de kraskaarten heeft vergist, waardoor er slechts voor een halfuur geen parkeerbelasting is voldaan. Volgens eiser kan enkel worden nageheven over de periode waarvoor geen parkeerbelasting is voldaan.
12. Volgens artikel 234, eerste lid, van de Gemeentewet wordt parkeerbelasting geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel op andere wijze. In het derde lid van dit artikel staat over een mogelijke naheffing het volgende: “Ingeval een naheffingsaanslag wordt opgelegd, wordt deze berekend over een parkeerduur van een uur, tenzij aannemelijk is dat het voertuig langer dan een uur zonder betaling geparkeerd heeft gestaan”.
13. Eiser heeft erkend dat de auto van zijn hovenier voor een half uur geen geldige kraskaart had. Tijdens dat half uur is de auto gecontroleerd. Omdat de auto in deze periode zonder betaling geparkeerd stond, mocht er een naheffingsaanslag worden opgelegd. Het staat ook vast dat eiser niet langer dan een uur heeft geparkeerd zonder de belasting te voldoen. Gelet op artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet mag dan een naheffingsaanslag worden opgelegd voor een uur. De heffingsambtenaar heeft echter in de naheffingsaanslag een dagtarief in rekening gebracht. Ter zitting heeft de rechtbank gevraagd waarom er een dagtarief in rekening is gebracht, gezien het feit dat er wel kraskaarten lagen en er slechts voor een half uur niet betaald was. Verweerder heeft hierover opgemerkt dat zonder vergunning er ter plaatse alleen een dagtarief geldt. De zone waar eiser geparkeerd stond, is aangeduid als ‘ [A] ’. In deze zone mag alleen geparkeerd worden met een dagkaart of een parkeervergunning (waaronder ook een kraskaart wordt verstaan). Dit geldt van maandag tot en met zaterdag van 09.00 uur – 18.00 uur en vrijdag van 09.00 uur – 21.00 uur, waarbij het dagtarief € 15,- is. Het tarief geldt derhalve ongeacht de duur dat geparkeerd wordt.
14. De rechtbank stelt vast dat het door de gemeente gehanteerde dagtarief niet kan worden herleid tot een uurtarief. Dit terwijl uit artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet volgt dat het uitgangspunt is dat een naheffingsaanslag wordt opgelegd over een parkeerduur van een uur. De rechtbank is daarom van oordeel dat een naheffing op basis van een vast dagtarief, ongeacht de duur van het parkeren, in strijd is met artikel 234, derde lid, van de Gemeentewet. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 maart 2014. [4] De naheffingsaanslag is opgelegd in strijd met de Gemeentewet en moet daarom worden vernietigd.
Conclusie
15. Het beroep is gegrond en de uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door de naheffingsaanslag te vernietigen.
Vergoeding griffierecht en proceskosten?
16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van I. Zallali, griffier. De beslissing is uitgesproken op 6 september 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.
Voetnoten
1.Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Verordening Parkeerbelastingen 2020 van de gemeente [plaats] (de Verordening).
2.Op grond van artikel 4, tweede lid, van dezelfde Verordening.
3.Zie de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2381.
4.Zie de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 maart 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:731.