ECLI:NL:RBMNE:2021:4394

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 september 2021
Publicatiedatum
10 september 2021
Zaaknummer
16/659033-19; 16/659035-19; 16/659078-19; 16/659042-20 (gev. ttz)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing en schorsing voorlopige hechtenis in Eris-proces

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 10 september 2021 uitspraak gedaan over het verzoek tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte in het kader van het Eris-proces. Verdachte wordt verdacht van betrokkenheid bij meerdere deelonderzoeken en een criminele organisatie. De rechtbank stelt dat er nog steeds ernstige bezwaren zijn tegen verdachte en dat sinds de laatste beoordeling op 24 december 2020 niets wezenlijks is veranderd.

De rechtbank bevestigt dat de twaalfjaarsgrond van toepassing blijft, ondanks dat het vermeende aandeel van verdachte mogelijk relatief kleiner is dan dat van andere verdachten. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt daarom afgewezen. Ook het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen, ondanks persoonlijke belangen zoals gezondheid, leeftijd en zorg voor een zoon. De rechtbank oordeelt dat deze belangen niet zwaarder wegen dan het maatschappelijk belang bij voortzetting van de voorlopige hechtenis.

De beslissing is genomen na meerdere zittingen en op basis van het dossier, waarbij de rol en bijdrage van verdachte in de deelonderzoeken nog inhoudelijk zullen worden beoordeeld. De rechtbank blijft bij haar eerdere overwegingen en concludeert dat de ernst van de feiten en de toepassing van de twaalfjaarsgrond een schorsing of opheffing van de voorlopige hechtenis in de weg staan.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Utrecht
Parketnummers: 16/659033-19; 16/659035-19; 16/659078-19; 16/659042-20 (gev. ttz)
Beslissing van de meervoudige strafkamer van 10 september 2021 op het verzoek tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1948 te [geboorteplaats] (Nederlands-Indië),
thans gedetineerd te [verblijfplaats] te [plaatsnaam] .

De beoordeling.

De rechtbank betrekt het volgende bij de beoordeling:
- het bevel gevangenhouding en gevangenneming;
- de overige stukken in het dossier;
- het verzoek tot opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis, gedaan ter zitting van 9 september 2021;
- hetgeen is besproken op de zittingen van 30 augustus, 31 augustus, 1 september, 7 september en 9 september 2021.
De ernstige bezwaren
De rechtbank is van oordeel dat er nog steeds een ernstige verdenking is wat betreft de feiten waarvoor verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, namelijk in deelonderzoeken [deelonderzoek 1] , [deelonderzoek 2] , [deelonderzoek 3] en de criminele organisatie. Op 24 december 2020 heeft de rechtbank laatstelijk inzake het deelonderzoek [deelonderzoek 1] overwogen dat er jegens verdachte voldoende ernstige bezwaren zijn. Sindsdien is er naar het oordeel van de rechtbank niet wezenlijk iets veranderd. De inhoudelijke behandeling is inmiddels gaande en daarin zal de rol en/of de bijdrage van verdachte in genoemde deelonderzoeken (alsmede aan het deelonderzoek [deelonderzoek 4] ) in volle omvang worden getoetst en beoordeeld, aan de hand van het gehele dossier en niet alleen aan de hand van de waardering van de verklaringen van de kroongetuige.
De gronden
Op 10 juni 2021 heeft de rechtbank geoordeeld dat de twaalfjaarsgrond nog steeds kan worden aangenomen, ook al is het vermeende aandeel van verdachte in de tenlastegelegde feiten mogelijk relatief geringer dan dat van andere verdachten. Ook wat betreft dit oordeel overweegt de rechtbank dat er sindsdien niet wezenlijk iets is veranderd.
Het verzoek tot het opheffen van de voorlopige hechtenis inzake [deelonderzoek 1] en [deelonderzoek 2] wegens onvoldoende ernstig bezwaren en/of onvoldoende gronden wordt daarom afgewezen.
Beoordeling van schorsing van de voorlopige hechtenis
De raadsman heeft verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis en heeft daarbij als persoonlijk belang van verdachte zijn gezondheid, leeftijd, de zwaarte van de detentie voor zijn leeftijd en de zorg voor zijn jongste zoon gesteld. De raadsman heeft verder aangevoerd dat de aangenomen ernstige bezwaren en gronden voor de verdenkingen niet aan een schorsing van de voorlopige hechtenis in de weg hoeven te staan, omdat deze, gelet op het vermeende aandeel van verdachte daarin, relatief zijn. Het Openbaar Ministerie heeft zich tegen een schorsing van de voorlopige hechtenis verzet.
De rechtbank blijft bij haar eerdere overweging dat de ernst van de feiten en de aanname van de twaalfjaarsgrond zich in beginsel niet verdragen met een schorsing van de voorlopige hechtenis, tenzij sprake is van uitzonderlijk zwaarwegende persoonlijke belangen. Namens verdachte is een persoonlijk belang geschetst. Hoewel de rechtbank dit belang ziet, en het vermeende aandeel van verdachte in de tenlastegelegde feiten mogelijk relatief geringer is ten opzichte van andere verdachten, is de aard van de ernstige bezwaren desondanks nog steeds van dien aard dat het persoonlijk belang van verdachte niet een zodanig uitzonderlijk en zwaarwegend belang oplevert dat dit moet prevaleren boven het maatschappelijk belang bij voortzetting van de voorlopige hechtenis. Het verzoek tot schorsing wordt daarom afgewezen.

De beslissing.

De rechtbank:
  • wijst afhet verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;
  • wijst afhet verzoek tot schorsing van de hechtenis.
Aldus gedaan te Utrecht op 10 september 2021 door mr. L.E. Verschoor-Bergsma voorzitter, mrs. LM.G. van der Weerd en O.P. van Tricht rechters, in tegenwoordigheid van mrs. N. Kruijswijk en B. van Dam, griffiers. De beslissing is door een van de rechters en griffiers ondertekend.