Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[verdachte] ,
De beoordeling.
De beslissing.
- wijst afhet verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;
- wijst afhet verzoek tot schorsing van de hechtenis.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 10 september 2021 uitspraak gedaan over het verzoek tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte in het kader van het Eris-proces. Verdachte wordt verdacht van betrokkenheid bij meerdere deelonderzoeken en een criminele organisatie. De rechtbank stelt dat er nog steeds ernstige bezwaren zijn tegen verdachte en dat sinds de laatste beoordeling op 24 december 2020 niets wezenlijks is veranderd.
De rechtbank bevestigt dat de twaalfjaarsgrond van toepassing blijft, ondanks dat het vermeende aandeel van verdachte mogelijk relatief kleiner is dan dat van andere verdachten. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt daarom afgewezen. Ook het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen, ondanks persoonlijke belangen zoals gezondheid, leeftijd en zorg voor een zoon. De rechtbank oordeelt dat deze belangen niet zwaarder wegen dan het maatschappelijk belang bij voortzetting van de voorlopige hechtenis.
De beslissing is genomen na meerdere zittingen en op basis van het dossier, waarbij de rol en bijdrage van verdachte in de deelonderzoeken nog inhoudelijk zullen worden beoordeeld. De rechtbank blijft bij haar eerdere overwegingen en concludeert dat de ernst van de feiten en de toepassing van de twaalfjaarsgrond een schorsing of opheffing van de voorlopige hechtenis in de weg staan.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen.