De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 19 februari 2021 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van seksueel misbruik van een minderjarige onder de twaalf jaar. Het eerste feit, bestaande uit meerdere handelingen van seksueel binnendringen, werd wettig en overtuigend bewezen verklaard. Het tweede feit, poging tot anale penetratie, werd vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs.
Tijdens de zitting gaf verdachte toe het eerste feit te hebben gepleegd en toonde hij berouw. De rechtbank hield rekening met zijn jonge leeftijd ten tijde van de feiten (12 tot 14 jaar), zijn openheid, behandeling en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De Raad concludeerde dat de kans op herhaling klein is en dat een onvoorwaardelijke straf weinig pedagogische meerwaarde heeft.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot een werkstraf van 60 uur, met een vervangende jeugddetentie van 30 dagen indien de werkstraf niet wordt uitgevoerd. De rechtbank wees een voorwaardelijke straf af vanwege de ernst van het feit. Er werd geen schadevergoeding opgelegd omdat het slachtoffer geen verzoek had ingediend. De beoordeling van een eventuele verklaring omtrent gedrag blijft voorbehouden aan Justis.