Eiseres diende op 25 mei 2020 een aanvraag in voor een WW-uitkering, die vanaf 1 juni 2020 werd toegekend. Verweerder trok deze uitkering per 1 juli 2020 in wegens het niet ontvangen van een ingevuld inkomstenformulier. Eiseres diende vervolgens een nieuwe aanvraag in voor de maanden juli en augustus 2020, die werd afgewezen omdat zij niet binnen zes weken na het eerdere besluit bezwaar had gemaakt.
Eiseres voerde overmacht aan vanwege een storing met DigiD, waardoor zij het formulier niet tijdig kon indienen. Verweerder verwees naar beleidsregels dat een uitkering pas wordt hervat vanaf de dag dat aan verplichtingen is voldaan. De rechtbank stelde vast dat verweerder niet had beoordeeld of er nieuwe feiten of omstandigheden waren die het eerdere besluit konden wijzigen.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel uit de Awb en vernietigde het besluit. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand, omdat verweerder op de zitting voldoende motiveerde dat er geen nieuwe feiten waren. Verweerder wordt tevens opgedragen het betaalde griffierecht te vergoeden.