ECLI:NL:RBMNE:2021:4616
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde woning ongegrond verklaard wegens juiste indexering
De zaak betreft een beroep van eiser tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in een plaats binnen de gemeente Utrecht. Verweerder had de WOZ-waarde voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op €802.000,-, welke na bezwaar werd verlaagd naar €776.000,-. Eiser stelde dat de waarde te hoog was en bepleitte een lagere waarde van €750.000,-.
De rechtbank overwoog dat verweerder de waarde juist had vastgesteld op basis van het eigen aankoopcijfer van de woning, die iets meer dan een half jaar voor de waardepeildatum was gekocht. De discussie spitste zich toe op het gebruikte indexeringspercentage. Eiser voerde aan dat het percentage te hoog was en onvoldoende was onderbouwd, mede verwijzend naar een vergelijkingsobject en eerdere WOZ-waarden.
De rechtbank oordeelde dat de WOZ-waarde jaarlijks opnieuw moet worden vastgesteld en dat eerdere WOZ-waarden of vergelijkingsobjecten niet doorslaggevend zijn. Verweerder had een marktanalyse uitgevoerd en een stijgingspercentage van 6,91% gehanteerd, wat lager was dan de marktontwikkeling voor vergelijkbare woningen in het gebied. Dit maakte de indexering aannemelijk.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op. De uitspraak werd gedaan door rechter Rijlaarsdam op 2 september 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €776.000,- wordt ongegrond verklaard.