Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , te [woonplaats] , verzoekers
de burgemeester van de gemeente Vijfheerenlanden, verweerder
[derde belanghebbende], gevestigd in [vestigingsplaats] (gemachtigde: R. Jager).
Procesverloop
Overwegingen
Standpunt verweerder7. Verweerder heeft, met overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie, op 5 augustus 2021 besloten om het besluit van 6 april 2021 in stand te laten en het pand met ingang van 16 september 2021 voor drie maanden te sluiten. Aan het besluit wordt het volgende ten grondslag gelegd. Op grond van de indicatoren zoals opgenomen in de Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Vijfheerenlanden 2020 (het beleid) kan worden geoordeeld dat sprake is van een ernstige situatie en dat er een noodzaak is om de woning te sluiten. Persoonlijke verwijtbaarheid is niet vereist voor toepassing van artikel 13b, van de Opiumwet. Gelet op de aangetroffen handelshoeveelheid harddrugs en de aangetroffen goederen, is aannemelijk gemaakt dat de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van de woning op ernstige wijze zijn aangetast, zodat de sluiting van de woning noodzakelijk was om de openbare orde in en rond de woning te herstellen. Het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs levert op zich zelf al een belang op bij sluiting, ook als geen sprake is van overlast, feitelijke drugshandel of een loop naar het pand. Bovendien is het gelet op het buurtonderzoek aannemelijk dat het pand bekend staat als drugspand. Verweerder is van oordeel dat met het verstrijken van de tijd niet zonder meer kan worden aangenomen dat daarmee sluiting niet noodzakelijk is gebleken en dat geeft geen reden om van handhaving af te zien. Verweerder is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat er vanwege de gezondheidssituatie van de inwonenden een bijzondere binding is met de woning op grond waarvan van sluiting van de woning had moeten worden afgezien. Onvoldoende gebleken is dat verzoekers en hun gezin vanwege de corona problematiek geen vervangende woning kunnen vinden en er bijzondere omstandigheden hadden moeten worden gewogen om niet tot sluiting van de woning te beslissen. De sluiting van de woning heeft weliswaar verstrekkende persoonlijke en financiële gevolgen, maar verweerder heeft bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het algemeen belang bij sluiting van de woning. Ten aanzien van de conclusie van de staatsraden advocaat- generaal Widdershoven en Wattel overweegt de commissie dat voldoende rekening is gehouden met de belangen van verzoekers en inwonenden waarmee de sluiting evenredig is gelet op de doelmatigheid van het middel. Dit komt tot uitdrukking in de duur van de sluiting. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de in de conclusie besproken zaken aanzienlijk verschillen met deze zaak en dat een sluiting voor drie maanden aanzienlijk minder gewicht in de schaal legt in het kader van de evenredigheidstoets.
Wettelijk kader8. Verweerder gaat op basis van de door hem gehanteerde beleidsregels over tot sluiting van een woning op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet als in de woning een handelshoeveelheid harddrugs wordt aangetroffen. In de Aanwijzing Opiumwet wordt ten aanzien van harddrugs een hoeveelheid van meer dan 0,5 gram of meer beschouwd als een handelshoeveelheid.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het voor het gebruikmaken van de sluitingsbevoegdheid niet noodzakelijk is om aannemelijk te maken dat de aanwezigheid van harddrugs overlast heeft veroorzaakt. Daarnaast merkt verweerder op dat de aantasting van de openbare orde en veiligheid en het woon-en leefklimaat rondom de woning wel voldoende blijkt uit de stukken die onder geheimhouding aan de rechtbank zijn verstrekt.
17. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat als er een handelshoeveelheid drugs is aangetroffen, op grond van gangbare jurisprudentie mag worden aangenomen dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel en dat dit op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert. Het verpakkingsmateriaal en de weegschaal die in de woning zijn gevonden zijn bovendien aanwijzingen dat er ook daadwerkelijk vanuit de woning werd gehandeld. De grote hoeveelheid contant geld is ook zo’n aanwijzing. De verklaring voor de hoeveelheid contant geld vindt de voorzieningenrechter onvoldoende. Zij sluit zich aan bij de eerdere overweging van de voorzieningenrechter dat het niet geloofwaardig is dat dat geld contante opnames van het persoonsgebonden budget betreft. Er is namelijk geen goede verklaring gekomen voor de reden waarom het persoonsgebonden budget tot zo’n groot bedrag in contante vorm geseald gespaard zou moeten worden.