Eiser heeft tussen 2012 en 2014 een gemeentelijk monument verbouwd en drie zelfstandige appartementen gecreëerd. Na een waarschuwing van verweerder heeft eiser in 2018 een omgevingsvergunning aangevraagd, die in 2019 werd geweigerd vanwege strijd met het bestemmingsplan en monumentenzorg.
Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen twee besluiten. Het eerste besluit was ingetrokken, waardoor het beroep daarop niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank oordeelde dat het splitsen van de woning in drie zelfstandige appartementen in strijd is met het bestemmingsplan, en dat verweerder terecht de vergunning weigerde.
Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder onjuist beleid toepaste door uit te gaan van een minimale oppervlakte van 50 m2 in plaats van 40 m2 voor de binnenstad, waardoor het beroep gegrond werd verklaard en het besluit op dat punt werd vernietigd. De rechtbank liet echter de rechtsgevolgen van de weigering in stand omdat eiser niet kon voldoen aan de geluidsisolatienormen en de monumentale dakramen niet mochten worden gewijzigd.
Verder oordeelde de rechtbank dat het wijzigen van de stahoogte en het injecteren van kelderwanden vergunningtechnisch mogelijk is, maar verweerder hoefde dit niet deels te vergunnen omdat eiser geen gesplitste aanvraag had ingediend. De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.