ECLI:NL:RBMNE:2021:4801
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning ongegrond verklaard
Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gelegen aan een adres te een plaats, die door verweerder was vastgesteld op €273.000 voor het belastingjaar 2020. Verweerder handhaafde deze waarde en onderbouwde dit met een taxatiematrix gebaseerd op vergelijkingsmethoden met referentiewoningen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de bewijslast droeg om aan te tonen dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De taxatiematrix en de toelichting daarop maakten aannemelijk dat de waardebepaling zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij rekening was gehouden met verschillen tussen de woning en referentiewoningen.
Eiser voerde aan dat de woning een matige staat van onderhoud en voorzieningenniveau heeft, dat de bouwkundige kwaliteit minder is en dat de ligging nabij het spoor onvoldoende was meegewogen. Ook stelde eiser dat het gehanteerde indexeringspercentage niet inzichtelijk was. De rechtbank vond deze stellingen onvoldoende onderbouwd en zag geen reden om de waardering aan te passen.
Gelet op de overgelegde stukken en de zitting concludeerde de rechtbank dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog was en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €273.000 wordt ongegrond verklaard.