1.4.In bezwaar heeft eiser alsnog de bankafschriften van zijn rekeningnummer [rekeningnummer] overgelegd, niet die van de rekening van [A] .
Het standpunt van verweerder
2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van eiser over de periode 1 januari 2019 tot en met 23 juni 2020 moet worden ingetrokken. Gedurende deze periode heeft eiser een relatie gehad met [A] en kon hij over haar rekening beschikken. Eiser heeft, hoewel daarom expliciet is gevraagd, verzuimd bankafschriften van het rekeningnummer van [A] aan te leveren. Door dit na te laten heeft eiser zijn inlichtingenplicht geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand over de betreffende periode niet kan worden vastgesteld.
3. Eiser heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden. Omdat [A] geen medewerking verleent, kan hij de gevraagde bankafschriften niet aanleveren.
Op het rekeningnummer van [A] heeft hij ongeveer € 200,- leefgeld gestort. Na het verlenen van vriendendienst heeft hij € 600,- ontvangen en dit niet gemeld. Dat kan hem worden verweten. Verder heeft hij alle informatie over zijn inkomsten waar hij de beschikking over had verstrekt. Gelet op het voorgaande meent eiser dat het recht op bijstand in de betreffende periode kan worden vastgesteld.
De overwegingen en het oordeel van de rechtbank
4. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 17, eerste lid, van de Pw in samenhang met de artikelen 54, derde lid, van de Pw. Het besluit tot intrekking van bijstand is een belastend besluit, waarbij het aan verweerder is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat verweerder aannemelijk moet maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan.
5. In artikel 17, eerste lid, van de Pw is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Dit is de zogenoemde inlichtingenplicht.
6. Vast staat dat eiser de beschikking heeft gehad over de rekening van [A] . Dit heeft eiser niet gemeld. Ook heeft eiser desgevraagd niet de bankafschriften van deze rekening over de periode waarin eiser over deze rekening kon beschikken ingeleverd bij verweerder, ook niet nadat hem daartoe een hersteltermijn was geboden. Hiermee heeft eiser de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden. Dat eiser de gevraagde bankafschriften niet kan aanleveren, omdat [A] weigert die te verstrekken, komt voor eisers rekening en risico. Doordat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden, was voor verweerder niet vast te stellen of eiser recht had op bijstand in de betreffende periode. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, als hij de gevraagde bankafschriften wel zouden hebben ingeleverd, recht op bijstand zou hebben gehad. Verweerder was op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw verplicht de bijstandsuitkering in te trekken.
7. Uit het voorgaande volgt dat het recht op bijstand van eiser terecht is ingetrokken over de periode van 1 januari 2019 tot en met 23 juni 2020. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.