ECLI:NL:RBMNE:2021:4984

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 oktober 2021
Publicatiedatum
18 oktober 2021
Zaaknummer
UTR 18/1415
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbAmbtenarenwet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep inzake OVW-periodieken en functietoekenning politie

Verzoeker, werkzaam bij de politie, stelde dat hij met ingang van 1 januari 2012 in een hogere functie had moeten worden geplaatst en recht had op extra OVW-periodieken en een waarnemingstoelage. Verweerder had verzoeker per besluit van 24 augustus 2017 met ingang van 1 juli 2016 vier extra OVW-periodieken toegekend en had de bezwaren van verzoeker tegen eerdere besluiten ongegrond verklaard.

Verzoeker stelde beroep in tegen het bestreden besluit, maar trok dit beroep in juni 2020 in met het verzoek om proceskostenvergoeding. Verweerder wees dit verzoek af omdat reeds extra OVW-periodieken waren toegekend vanaf 1 juli 2016. De rechtbank stelde vast dat de Centrale Raad van Beroep had geoordeeld dat terugwerkende kracht tot voor 1 juli 2016 niet mogelijk was en dat verweerder niet tegemoet was gekomen aan het beroep van verzoeker.

De rechtbank besloot het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen, omdat geen tegemoetkoming had plaatsgevonden. Er werd geen zitting gehouden omdat partijen geen behoefte hadden aan mondelinge behandeling. De uitspraak is gedaan door rechter Y. Sneevliet op 14 oktober 2021.

Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat verweerder niet aan het beroep is tegemoetgekomen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 18/1415

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M. Wegerif),
en

de korpschef van politie, verweerder(gemachtigde: F.A.M. Bot).

Procesverloop

In het besluit van 24 augustus 2017 (primair besluit I) heeft verweerder verzoeker met ingang van 1 juli 2017 geplaatst in de LFNP-functie van Operationeel Begeleider A, met als werkterrein Rijvaardigheid & Rijveiligheid.
In een afzonderlijk besluit van 24 augustus 2017 (primair besluit II) heeft verweerder onder meer met ingang van 1 juli 2016 aan verzoeker vier OVW-periodieken extra toegekend.
In het besluit van 27 februari 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van verzoeker tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij brief van 20 maart 2020 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het beroep van verzoeker – voor zover het de ingangsdatum van de plaatsing betreft – ongegrond moet worden verklaard gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van
28 november 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3819). Volgens verweerder heeft verzoeker geen belang bij een wijzigingsbesluit ten aanzien van de OVW-periodieken, omdat hij met ingang van 1 juli 2016 OVW-periodieken toegekend heeft gekregen.
Bij brief van 24 juni 2020 heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Bij faxbericht van 14 december 2020 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld dat het verzoek om proceskostenveroordeling moet worden afgewezen, omdat aan verzoeker al met ingang van 1 juli 2016 extra OVW-periodieken zijn toegekend.
Nu geen van partijen desgevraagd heeft verklaard te willen worden gehoord op een zitting, heeft de rechtbank bepaald dat een zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
Standpunt verzoeker
2. Verzoeker heeft in beroep – kort gezegd aangevoerd – dat verweerder hem met ingang van 1 januari 2012 in de functie van Operationeel Begeleider A had moeten plaatsen. Dit betekent volgens verzoeker dat hij ook met ingang van 1 januari 2012 recht heeft op vier extra OVW-periodieken. Subsidiair heeft verzoeker aangevoerd dat hij recht heeft op een waarnemingstoelage, ook met ingang van 1 januari 2012.
Oordeel rechtbank
3. De rechtbank overweegt dat de CRvB in de uitspraak van 28 november 2019 [1] heeft geoordeeld dat wanneer een functie eerst per 1 september 2017 aan het inrichtingsplan van de afdeling OBT is toegevoegd, er dan geen grond bestaat om de betreffende medewerker met ingang van 1 januari 2012 op deze functie te plaatsen.
4. De CRvB heeft in voornoemde uitspraak tevens geoordeeld dat voor het toekennen van OVW-periodieken met ingang van een verdergaande terugwerkende kracht dan 1 juli 2016 geen plaats is. [2] De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet heeft weersproken dat verweerder bij besluit van 24 augustus 2017 met ingang van 1 juli 2016 vier OVW-periodieken extra aan hem heeft toegekend. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet op een verzoek om toekenning van een waarnemingstoelage heeft beslist. Verder is niet gesteld of gebleken dat aan verzoeker naar aanleiding van de huidige beroepsprocedure alsnog een waarnemingstoelage is toegekend.
5. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder niet tegemoet is gekomen aan het beroep van verzoeker. Het verzoek om een proceskostenveroordeling wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, rechter, in aanwezigheid van
mr.L.Y. Wong, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 14 oktober 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Rechtsoverwegingen 3.6.1 en 3.6.2
2.Rechtsoverweging 3.11.