ECLI:NL:RBMNE:2021:5001
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Utrecht
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in Utrecht, gesteld op €294.000,- voor het belastingjaar 2020. Verweerder heeft deze waarde gebaseerd op een taxatiematrix waarin de woning is vergeleken met vier vergelijkbare referentiewoningen in dezelfde plaats, met verkoopprijzen rond de waardepeildatum 1 januari 2019.
Eiser stelt dat de woning gedateerde voorzieningen heeft, zoals een verrotte keuken en badkamer, vochtschade en verouderde installaties, en dat de kwaliteit en het onderhoud van de woning onvoldoende zijn meegenomen. De rechtbank oordeelt echter dat verweerder deze aspecten passend heeft gekwalificeerd en verwerkt in de waardecorrectie, waarbij de woning de laagste prijs per vierkante meter heeft gekregen ten opzichte van de referentiewoningen.
Verder wijst de rechtbank het standpunt van eiser af dat de WOZ-waarde niet uit de uitspraak op bezwaar kan worden herleid en dat het motiveringsbeginsel is geschonden. Verweerder heeft in beroep een nadere onderbouwing gegeven en de rechtbank acht de motivering voldoende, ook al is niet expliciet op alle foto’s ingegaan.
Gelet op de onderbouwing en de taxatiematrix acht de rechtbank aannemelijk dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €294.000,- wordt ongegrond verklaard.