ECLI:NL:RBMNE:2021:5002
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde benedenwoning in Utrecht voor belastingjaar 2020
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn benedenwoning in Utrecht, gelegen aan een adres, voor het belastingjaar 2020. Verweerder had de waarde vastgesteld op €203.000,- op basis van de waardepeildatum 1 januari 2019 en handhaafde deze na bezwaar. Eiser stelde een lagere waarde van €182.000,- voor.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is. Dit blijkt uit een taxatiematrix waarin de woning is vergeleken met vier referentiewoningen uit dezelfde straat, met vergelijkbare bouwjaren, woonoppervlakte en kwaliteit. Verweerder heeft inzichtelijk gemaakt hoe rekening is gehouden met verschillen in voorzieningen, onderhoud en uitstraling.
Eiser had tijdens de zitting enkele beroepsgronden ingetrokken, waaronder die over niet-geïsoleerde muren en onvoldoende vergelijkbaarheid van referentiewoningen. De rechtbank vindt dat verweerder met de vrije bewijsleer in het belastingrecht niet verplicht is een rekenmodel of vaste correctiepercentages te gebruiken. De kwalificatie van de voorzieningen als 'eenvoudig' is voldoende onderbouwd, ondanks dat deze gedateerd zijn.
De rechtbank concludeert dat de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van €203.000,- juist is en verklaart het beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €203.000,- wordt ongegrond verklaard.