ECLI:NL:RBMNE:2021:5004
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
WOZ-waarde woning vastgesteld op €495.000 na beroep tegen aanslag
De zaak betreft een beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een hoekwoning uit 1972 in [plaats], die door verweerder was vastgesteld op €505.000 voor het belastingjaar 2020 met waardepeildatum 1 januari 2019. Eiser stelde een lagere waarde van €448.000 voor. Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatiematrix van vier vergelijkingswoningen, maar de rechtbank vond dat de verschillen in onderhoudstoestand en voorzieningen tussen de woning en referenties te groot waren om de waarde te rechtvaardigen.
Eiser kon zijn lagere waarde niet aannemelijk maken omdat hij onvoldoende bewijs leverde voor een matige onderhoudstoestand die een correctie van 5% zou rechtvaardigen. De rechtbank concludeerde dat de staat van onderhoud ‘voldoende’ was, wat betekent dat het onderhoud niet op peil is maar ook geen directe problemen oplevert.
Omdat geen van beide partijen hun waarde aannemelijk konden maken, stelde de rechtbank zelf de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €495.000. Daarnaast veroordeelde de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.598, en bepaalde dat het betaalde griffierecht van €48 aan eiser wordt vergoed.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning is schattenderwijs vastgesteld op €495.000 en de aanslag overeenkomstig verlaagd.