ECLI:NL:RBMNE:2021:5007
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde tussenwoning en ongegrondverklaring beroep tegen vaststelling
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn tussenwoning aan een adres in een plaats, vastgesteld op €441.000,- per 1 januari 2019. Verweerder handhaaft deze waarde en onderbouwt dit met een taxatiematrix waarin de woning wordt vergeleken met vier vergelijkbare referentiewoningen die recentelijk zijn verkocht.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Verweerder heeft de woning vergeleken met referentiewoningen die qua bouwperiode, uitstraling en ligging vergelijkbaar zijn, en heeft de verschillen inzichtelijk gemaakt. De taxatiematrix toont aan dat de gehanteerde waarde per vierkante meter lager is dan de verkoopprijzen van de referentiewoningen.
Eiser heeft verschillende bezwaren ingebracht, zoals onvoldoende correctie van verschillen in de taxatiematrix, vochtoverlast, houtrot, achterstallig schilderwerk en een vervallen berging. Deze bezwaren zijn niet onderbouwd met voldoende bewijs of zijn tijdens de zitting ingetrokken. De rechtbank volgt verweerder in de kwalificaties van onderhoud en kwaliteit en acht de taxatiematrix als voldoende betrouwbaar.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en bevestigt de vastgestelde WOZ-waarde van €441.000,-. Er wordt geen proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €441.000,- wordt ongegrond verklaard.