Eisers werden in het kader van een themacontrole vermogen Participatiewet verzocht hun CIN-nummers te overleggen vóór 1 juni 2020. Zij slaagden hier niet in ondanks meerdere contacten en uitleg over het verkrijgen van het nummer. Verweerder schortte de bijstand op en trok deze met ingang van 1 juni 2020 in.
Eisers maakten bezwaar en beroep tegen deze besluiten, stellende dat er sprake was van verboden onderscheid naar afkomst en dat zij als Nederlanders niet verplicht waren het CIN-nummer te overleggen. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek niet discriminerend was en dat het verzoek om het CIN-nummer gerechtvaardigd was vanwege het vermoeden van vermogen in het buitenland.
De rechtbank vond dat verweerder in redelijkheid kon overgaan tot intrekking van de bijstand na het uitblijven van medewerking. Het beroep faalde omdat eisers niet aannemelijk maakten dat het besluit onjuist was en het enkel herhalen van bezwaargronden onvoldoende is. Het evenredigheidsbeginsel werd niet geschonden. Het beroep is ongegrond verklaard.