Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[verdachte] ,
De beoordeling.
De beslissing.
- wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.
- wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 25 oktober 2021 het verzoek tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte in de overkoepelende zaak Eris, bestaande uit meerdere deeldossiers waaronder Lis, Goudvink en 034Gezicht.
Tijdens de zitting van 14 en 15 oktober 2021 werd een getuige gehoord die aanleiding gaf tot het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank oordeelde echter dat ondanks de aangevoerde betwisting van de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring, er nog steeds voldoende ernstige bezwaren zijn tegen verdachte. Dit geldt zowel voor de feiten in de deeldossiers Lis en Goudvink als voor de verdenking van deelname aan een criminele organisatie.
De rechtbank overwoog tevens dat de gronden voor voorlopige hechtenis nog steeds aanwezig zijn en dat de aard en ernst van de feiten zich verzetten tegen opheffing op grond van artikel 67a, derde lid van het Wetboek van Strafvordering. Ook het verzoek tot schorsing werd afgewezen, ondanks het door verdachte gestelde persoonlijke belang, omdat dit niet zwaarder weegt dan het maatschappelijk belang bij voortzetting van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank wees het verzoek tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis af en bevestigde daarmee de voortzetting van de detentie van verdachte.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen en de detentie van verdachte wordt voortgezet.